Apparaat F (fragment)

Meneer F is thuisgekomen. Hij stapt door de vestibule van zijn herenhuis in de Winklerstraβe, dat zich in de schaduw van de Frauenkirche schuilhoudt. Daar merkt hij dat de staande klok uit zware populier op drie is blijven stilstaan.
Meneer F werkt bij de gemeente Nürnberg. Hij wordt om acht uur op het gemeentehuis verwacht. Meneer F komt nooit te laat. Wie te laat komt, vindt hij, die leeft voortdurend in het verleden en het verleden dient in dit leven niet in acht te worden genomen. Dus is hij er om half acht, om het gerief op zijn bureau te ordenen. Steeds opnieuw, elke dag opnieuw ordent hij het gerief op zijn bureau. Hij houdt van de sterke geur van vocht die er hangt, de middeleeuwse lambrisering, het geelbruine licht. Alleen op zijn eentje durft hij er stiekem van te genieten. Zijn collega's vindt hij niet sympathiek. 'Fleisch', noemen ze hem altijd, omdat hij zo mager is. 'Weinig Fleisch, mann, Fleisch.' Hij probeert er soms om te lachen, maar meer dan zijn tanden tonen doet hij niet. Altijd trillen zijn mondhoeken als hij probeert te lachen.
Zijn werkdag eindigt om half zes. Hij verlaat het statige stadhuis van Nürnberg pas om half zeven, want thuis wacht er toch niemand op hem. Zo is dat ook vandaag.
Meneer F volgt met zijn wijsvinger de nerven in het hout van de staande klok. In zijn linkerooghoek trekt een zenuw, alsof iemand tussen zijn kruin en zijn vingertoppen een zijdedraadje heeft gespannen en er ter hoogte van zijn slaap onafgebroken knoopjes in legt. Zijn heup schraapt in het scharnier, zijn middenrif trekt onregelmatig samen, zijn hart bonst heviger dan normaal. Hij weet niet waarom hij zo gespannen is. Hij wringt zich tussen klok en muur, draait de wijzers op zeven en geeft een tik tegen de pendule. De haartjes op zijn armen staan rechtop. De tocht streelt zijn nek. Ik heb de deur daarnet toch al dicht gedaan, denkt hij. Hij wandelt naar de deur en duwt die dicht. De klap klinkt luider dan anders. Meneer F stapt ook rechter dan anders, alsof zijn lichaam zich ergens voor wil behoeden. Hij draait zich weer om en stapt in het schemerdonker door de traphal naar boven. Zijn voetzolen zijn kussentjes, maar de krakkemikkige constructie van de trap kreunt en piept onder zijn gewicht. Zou ik verdikt zijn, denkt hij. Was ik maar een beetje verdikt.
In zijn studeerkamer laat hij zich in de brede canapé zakken. Daar zit hij dan, te kijken.
Het vertrek heeft een poollichtgroene schijn. Meneer F probeert zich te concentreren op het tikken in de kachel. Het wordt luider en helderder, irritant bijna. Na een poosje duwt hij zelfs zijn vingers in zijn oren. Zo irritant wordt het. Dan tuurt hij naar de andere kant van de kamer, waar zijn lange, lege tafel een lege vaas draagt. Voor het eerst ziet hij dat de schouw achter zijn bureau niet helemaal loodrecht is, maar licht kronkelt in de richting van het schilderij De Schreeuw dat vlak onder het plafond hangt. Het werk heeft alle scherpte, alle glans verloren.
Meneer F komt moeizaam recht uit de zetel en stapt naar het venster. Hij tuurt naar buiten. Het is donker geworden. Samen met de maan komt de nevel op. De wind trekt aan. Niet veel later begint het te regenen. Het water gutst tegen het venster, de druppels zeiken traag naar beneden. Meneer F kijkt ernaar. Almaar luider tikt de kachel.
Minutenlang staat meneer F naar buiten te staren. Hij begint te zweten. Hij grijpt naar de strop van zijn das en beweegt die lichtjes heen en weer om de druk wat te verminderen. Maar ook nu zijn das losser zit, blijft iets hevig op zijn borst drukken. Ik ben ziek aan het worden, denkt hij.
'Fleischmann, je bent ziek aan het worden.'
'Fleischmann, je bent ziek aan het worden.'
Hij voelt een stem in zijn borst, in zijn gehoorgangen. De onbekende lucht vult zijn keelholte, zijn mond, zijn neusholte.
'Fleischmann, je bent ziek aan het worden.'
De woorden verdampen tot gehijg dat via zijn luchtpijp en zijn longen naar zijn lenden drijft. Daar speelt de luchtstroom verder rond zijn geslacht dat zich verheft. Hij concentreert zich op de korte schokjes daar beneden. Zijn geslacht verhardt als was het de eerste keer, als was hij vergeten dat hij een man was.
Beneden op straat wordt er iets geroepen. Een meisjesstem. Een warme, heldere meisjesstem van ongeveer dertien jaar. Zijn lid blijft groeien. Ze moet wel Carmella heten, denkt meneer F. Dat moet wel. Carmella. Carmellaaa. Caramella.
De verwarming tikt voort. De poollichtgroene schijn wordt verdrongen door grottig zwart. Meneer F voelt zich gevangen in het hol van De Schreeuw. Het roepen op straat verstomt. Het meisje is weg. Zijn lid verschrompelt weer.
'Ik heb je gemist, F.'
'Ik heb je gemist, broer.'
Opnieuw die stem. Meneer F verdraagt de versmachting niet meer en trekt zijn vest en zijn hemd uit. Alles komijnzwart. Hij probeert de handeling die hij zo gewoon is, gecontroleerd uit te voeren, met de juiste finesse in zijn vingers, de juiste spanning in zijn halsspieren. Hij probeert daarbij niet te veel lawaai te maken. Hoezeer hij zich ook opwindt over het crescendo van alle geluiden in en rondom hem, weigert hij de kamer te verlaten.
Meneer F wordt zo star dat het bungelen van het kruisje rond zijn nek plots erg aanwezig is, zijn plaats opeist met een zilvergeflikker, als het lemmet van een mes.
Hij grijpt naar zijn gezicht en trekt het vel van zijn wangen naar beneden. Zijn oogwit is dooraderd. Hij ziet hoe er ter hoogte van zijn linker tepel een rode vlek begint te groeien. Wijn op een tafelkleed, uitdijend als een oorlogszone. Een inktwolk in helder water. Tegelijk ontstaan er vlekken op andere plekken van zijn lijf. Vlekken onder zijn oksels, vlekken in zijn nek, vlekken op de kale plekken op zijn hoofd, vlekken op zijn onderbuik, zijn rug. Andere vlekken zwellen onder zijn katoenen broek, zwermen uit tot op zijn enkels, tot hij helemaal rood ziet, rozig rood.
Fleischmann in het venster gromt, toont zijn hoektanden, verfrommelt zijn voorhoofd tot koffiegedroogd perkament, zijn neusgaten wijd, de toon in zijn adem plotseling hoog, vrouwelijk. Meneer F ziet de maquillage op zijn ogen, zijn wangen. Hij ziet de uitgesproken schoonheidsvlek boven zijn rechtermondhoek. Met zijn wijsvinger gaat meneer F langs de nerven in zijn voorhoofd. Het spiegelbeeld beweegt niet met hem mee.
De klok in de vestibule slaat drie.
'Ik heb het nooit zo bedoeld, broer', hakkelt hij.
'Zus.'
'Ik heb het nooit zo bedoeld, zus.'
Fleischmann in het venster kantelt zijn hoofd naar links en dan naar rechts. Zijn frons is hooghartig. Hij begint onbedaarlijk te lachen.

Dit bericht is geplaatst in Boonyi, Kortverhalen, Nieuws, Werk. Bookmark de permalink.