Apparaat G (fragment)

- ter nagedachtenis van dhr. Kafka, F. (1883-1924)

Iemand moet me belasterd hebben. Zonder dat ik ook maar iets kwaads heb gedaan, bevind ik me in die kamer. Het is hier snikheet. Dikke wolken waterdamp of smog vertroebelen het zicht. Het is de kamer waar ik niet wil zijn, maar waar ik af en toe wel hoor te zijn, denk ik. Ik weet het niet. Ik ben hier in elk geval beland en ik heb dat zelf niet in de hand gehad. Wie dan wel? Wie is de schuldige? Wie heeft me belasterd?
Als je deze kamer binnenkomt, bots je tegen een lange, smalle tafel. Je moet je eromheen manoeuvreren om aan de andere kant te geraken. Links en rechts bedekken lange vitrinekasten de muur. Het plafond bij de deur is maar een meter zestig hoog en het klimt lichtjes verder tot aan het twee meter hoge venster aan de overkant.  Ik sta voor dat venster. Dit is de noordkant. De zon komt hier niet binnen. De zon hoort hier niet binnen te komen. Het is goed zo. Ik kijk naar buiten. Ik lik aan mijn lippen. Ze smaken een beetje te zout.
De deur van de kamer staat open. De scharnieren zijn kapot geroest en ik vind het snerpende geluid dat ze maken erg onaangenaam. Ik heb er bij de hospita al vaak mijn beklag over gedaan. Ze zegt steeds: ‘Rustig, meneer, we zijn het aan het bekijken.’ En dan maak ik me kwaad. Het gebeurt maar heel zelden hoor dat ik me kwaad maak als ik hier ben. Ik zeg: ‘Je moet het niet bekijken, je moet een nieuwe deur steken.’ Dan glimlacht ze, terwijl ik haar in gedachten verwijt dat ze dik is.
Dus blijft de deur open, zodat de hospita kan zien dat ik me eraan stoor dat mijn bezoekers worden blootgesteld aan de blikken van alle anderen in dit gebouw. Bijvoorbeeld de blikken van die irritante kinderen die om elke hoek staan te giechelen en te grollen en te hinniken van nieuwsgierigheid. Ik weet niet wie ze zijn of wiens kinderen ze zijn. Ik vertrouw ze voor geen haar.
Als mijn gasten erin geslaagd zijn om de spelende kinderen en de ratelende hospita en de schreeuwende buren van zich af te weren, kijk ik achterom en zie ik hoe ze langs de tafel tussen speelgoed en gebroken servies bij me proberen te komen, hoe ze zich aan een kast of de rug van een stoel vasklampen, hoesten en hun hoofd stoten tegen het lage plafond. Wanneer ze op mijn schouder komen uitblazen en klagen dat het hier toch zo warm is en zo klein en zo benauwend, leg ik mijn hand op hun bezwete kruin en zeg ik: ‘Welkom. Meneer Golgi is de naam. Welkom in mijn nucleotide.’
Ik noem deze kamer mijn nucleotide, naar het cirkelvormige DNA van een bacterie. Het is een geschikte naam voor deze kamer, die toch een soort broednest is, een web van verknoopte genstrengen die de identiteit van het gebouw bepalen. En ik, ik ben daarvan het centrum, de kern, de oergrond.

Dit bericht is geplaatst in Boonyi, Kortverhalen, Nieuws, Werk. Bookmark de permalink.