Eiland B

Vroeger was ik in het weekend thuis. Nu bevind ik me op een eiland. Ook in het weekend. Ik zit aan een witte, ronde tafel, recht tegenover een andere man. Links en rechts van mij staat een computer. Hun eigenaars heb ik nog nooit gezien. Zij zijn belangrijker. De buitenwereld eist hen op. De andere man en ik bewaken het eiland. Wij waken over financiën. Het eiland heet Eiland B. Het is ons eiland. De B staat voor belastingen.

Ik kijk zes dagen op zeven uit op dezelfde, andere man. De hele dag lang tokkelt hij op zijn laptop. Ik tokkel ook het grootste deel van de dag op mijn laptop. Alleen doe ik dat met twee handen. De man tegenover mij doet het met zijn linkerhand. Hij heeft geen rechterarm. Dat moet onhandig zijn. Hij tikt wel sneller dan ik. Dat komt omdat hij geoefend heeft.

Mijn handen liggen nu stil op het klavier. Mijn vingers zijn versteende tentakels. Op mijn scherm staat een venster open voor de kwartaalaangiftes. Ik zucht. Ik kijk over de rand van mijn laptop naar mijn collega. Ik zucht opnieuw. Ik had hem al vaak kunnen vragen hoe het gebeurd is. Ik had al vaak openlijk nieuwsgierig kunnen zijn naar zijn rechterarm, naar de bevreemdende afwezigheid ervan. Ik durf niet, ik zucht.

Nochtans is hij vriendelijk. Elke ochtend komt hij naast me staan. Elke dag draagt hij een maatpak met perfect aansluitende snit. De rechtermouw is consequent afgeknipt, dichtgenaaid en stijlvol gezoomd. Elke ochtend is hij vijf minuten te laat. Misschien houdt die kleine afwijking van de routine hem tevreden, in vorm. Al wordt een regelmatige afwijking van de routine al snel zelf een routine. Ik moet het eens proberen, te laat komen en dan vriendelijk zijn.

Hij landt ’s morgens, vijf over negen, met veel bravoure op ons eiland. Ik blijf altijd naar mijn scherm kijken, terwijl ik de scherpe eucalyptus van zijn gel en de zoete muskus van zijn parfum opsnuif. Ik doe dat stiekem.

Hij vraagt: “Gaat het wel vandaag?”. Ik antwoord meestal: “Ja”. Gewoon, uit gemakzucht. Vandaag zeg ik niets. Vroeger, in het weekend thuis, zei ik ook niets. Dat is een traditie die ik in ere wil houden.

Ik zou hem kunnen vertellen dat ik het liefst elke dag thuis zou willen zijn. Ik zou hem kunnen vertellen dat ik mijn kinderen meer wil zien. Ik zou hem kunnen vertellen dat ik graag kook en schilderijen maak en dat ik beide ambities heb opgegeven. Ik zou hem kunnen vertellen dat ik het moeilijk heb om het nut ervan in te zien. Ik zou hem kunnen vertellen over avonden met nekpijn en rugklachten en verlangen naar massages door handen van niemand in het bijzonder, over thuis zijn en nog eens thuis zijn, of als dat niet zou kunnen, in elk geval het weekend thuis zijn.

Maar hij, die ongevraagd mijn collega is, mede-eilandbewaker, hij zou slechts fronsen. Hij zou slechts zwijgen. Want jezus, wat jammer ik over de noodzaak van mijn plek hier, op Eiland Belastingen, en bij uitbreiding mijn plek daar, op Eiland Huiskamer, terwijl er mensen bestaan die maar één arm hebben. Om dat soort confrontaties te vermijden, mompel ik iets wat hij niet verstaat.

Ik kijk over de rand van mijn laptop. Hij kijkt terug, recht in mijn ogen. Zijn ogen zijn donkerbruin. Ze neigen naar zwart.

“De koffie is slap. Zal ik nieuwe zetten?”

 

Dit bericht is geplaatst in Kortverhalen, Nieuws, Werk. Bookmark de permalink.