Fredje Diamant

Nu en dan zeg ik ‘ja’ of ‘nee’. Nu en dan kijk ik uit het venster. Nu en dan knik ik naar mijn broer of naar mijn zus. Ik neem happen uit koekjes die ik niet lekker vind. Oma heeft ze gebakken. Ze bakt al een leven lang koekjes. Ik leg mijn handen op mijn dijen, op de tafel, op de leuning van mijn stoel of in een kelk rond mijn kaken. Niemand vraagt hoe het met me gaat.
Ik kijk naar rechts, naar oma aan het hoofd van de tafel. Zij kijkt niet naar mij terug. Zij kijkt naar opa Fred, Fredje, aan de overkant. We hebben hem vanmorgen weer bij elkaar geknutseld, ter ere van hun diamanten huwelijk.
Oma keek toe vanuit haar schommelstoel toen we zijn hoofd op zijn rubberen romp schroefden, zijn boerenvingers aan zijn handpalmen naaiden, zijn pantoffels aan zijn enkels bonden. Ze heeft gezien hoe we de strohalm tussen zijn piepschuimen tanden hebben geplakt en de knikkers ter hoogte van de ogen in zijn papier-machéhoofd hebben geduwd. Als kers op de taart  zetten we zijn petje op de kruin van zijn pruik. Hij droeg dat petje elke dag, buiten en binnen. ‘Den Afspanninghe’ staat er op gedrukt, de naam van het café waar hij zijn nachten sleet.
‘Kom op, Fredje, neem een koekje’, zegt oma. Opa Fred antwoordt niet. Dan glijdt haar blik langs de diamanten schaal met koekjes naar mijn broer, management, en mijn zus, notariaat, die samen twaalf keer zoveel verdienen als ik. ‘Waarom neemt Fred geen koekje?’ Ook zij antwoorden niet. Ze zijn druk in gesprek over franchises, aandelen, het kadaster, hun nieuwe huizen in Sint-Martens-Latem en Heist-Op-Den-Berg. De streepjes tussen die woorden zijn de wenkbrauwen boven hun verheven blik.
Ik pulk aan mijn baardhaartjes. Ik trek er nu en dan eentje uit. Sommige haartjes blijven op de top van mijn wijsvinger liggen als een wimper. Ik wil ze weg blazen, mezelf weg wensen. Ik kan hier niet zijn.
Ik zet mijn handen tegen de rand van de tafel en schuif mijn stoel naar achteren. Zonder iemand aan te kijken haast ik me via de veranda naar buiten, in de richting van de oude graanschuur. Op het houten bord aan de gevel kan ik nog net Marloes Artisanaal lezen. Ik loop naar binnen. De bovenkant van de deur raakt de ijzeren pijpjes die met luid geklingel tegen elkaar slaan. De deur valt vanzelf weer dicht.
Achteraan staat de oude bakoven van oma. Ik vertraag mijn pas tot ik stilsta. Ik kijk naar het ijzeren monster. De oven is roestig en staat nog open. In zijn gapende mond zitten zwarte bakplaten waar nog vergane resten deeg aan kleven. Ik zak langs de muur neer op de grond, met mijn hoofd in mijn handen.
Ik denk aan boogschieten en hardlopen met broer en zus in de velden. Ik hoor de stem van een jonge oma achter ons: ‘Niet te ver, jongens, niet te ver.’ Later op de dag: karnemelk met koekjes. Ik zie mezelf doorratelen over wat ik later wil worden en wat ik later wil hebben. Mijn relaas eindigt altijd met ‘Oh, en een villa met een zwembad. Oh, en een jaguar.’ Toen had ik het over het beest.
De ijzeren pijpjes klingelen opnieuw. Ik kijk op. Oma staat in de deuropening over haar wandelstok gebogen. Ze waggelt naar me toe. Ze blijft bij de bakoven staan en plakt haar rechterhand als een zegel op de metalen bovenkant. Ze slaakt een diepe zucht. In haar blauwe ogen glanst dezelfde bezorgdheid als toen ze mij lang geleden zei: ‘Niets worden, maar wel alles hebben? Nee, jongen, dat gaat niet.’
Ik kom overeind. Ik sta nu zo dichtbij dat haar rimpels de mijne zijn.
‘Jongen, ik heb slecht nieuws’, zegt ze. ‘Opa Fred is dood.’

Dit bericht is geplaatst in Kortverhalen, Nieuws, Werk. Bookmark de permalink.