Gilgamesj

Soms leg ik woorden in de mond van iets anders.
Als ik bijvoorbeeld “meuh” zou willen zeggen, dan leg ik dat in de muil van een kalf, die van zijn moeder gescheiden en gekorfd naar de voederbak reikt.
“Ik ben alleen” leg ik in de mond van een opa die op de derde verdieping whisky drinkt aan het venster en naar het pleintje kijkt, beneden, waar een jongeman zijn kleinkind kan zijn.
(In de fontein spatten de kinderen zijn tranen in het rond, vrolijk en in hun blootje. Verderop ruist de zee als de tarwevelden ’s nachts. Misschien de autosnelweg.)
“Wie heeft mij gemaakt” leg ik in de mond van een jongeman, van wie de oren nooit mee met zijn hoofd zijn gegroeid; het lelletje en de schelp zijn nauwelijks te onderscheiden. De stoppels op zijn kin vertonen leemtes. Op littekens groeit lang geen haar.

De jongeman zit op een bankje op het ronde plein. Er loopt een weg omheen en er staan flatgebouwen omheen. Tussen de zwarte kaders van de ramen kust een keurige man zijn keurige vrouw met keurige aanrakingen, zit een grijs dametje voorovergebogen een sjaal te haken, bereidt een prostituee zich in vol ornaat voor op haar dertiende werkdag, likt een kat het stof van de sanseveria op een vensterbank.
De schoorstenen zijn overbodig. De rook vermomt zich in uitlaat.

De jongeman op het bankje hoopt dat er iemand naar hem kijkt uit de vensters die hem omringen. Iemand die zijn krappe t-shirt ziet en weet dat hij het moeilijk vindt om wijdere t-shirts te kopen, omdat hij diep vanbinnen in niets verschilt van de jongen van zestien die perfect in een small paste. Iemand die ziet dat hij zijn krappe t-shirt onder een jasje verbergt, hoewel het voor een jasje veel te warm is en het jasje dus stinkt, omdat men jasjes doorgaans te weinig wast en te vaak draagt wanneer het te warm is voor jasjes. Iemand die ziet dat hij zijn afgewassen broek oprolt om hip te worden bevonden en daaronder: sandalen van zijn broer, twee maten te lang. Iemand die ziet dat hij zijn horloge niet helemaal rond zijn pols spant, omdat zijn mouw er dan over hangt. Wat voor zin hebben kostbare dingen die net niet zichtbaar zijn.

Elke dag hoopt hij dat iemand de held leest in zijn ogen, uit de vensters om hem heen. De verkleurde foto van opa in zijn binnenzak vangt de damp die uit zijn bovenlijf slaat.

Hij herinnert zich het moment waarop hij over zijn bestaan begon na te denken, meer bepaald over zijn verwantschap met aapachtigen, dieren in het algemeen en wat hem dan bijzonderder maakt dan die dieren. Hij vond zijn hersencapaciteit al snel een belemmering. Zijn kop woog zo zwaar. En hij begon erop te letten: iedereen zijn kop weegt zwaar, daarom zitten en staan en hangen we voortdurend zo scheef.

“Dat kan toch niet gezond zijn”, riep hij naar zijn moeder. Het kan toch niet heilzaam zijn om zo gesofisticeerd, gecompliceerd, geaffecteerd, geëmancipeerd, gesocialiseerd en gemarginaliseerd en zo te zijn, en dat alles tegelijk op één plek onder je hersenpan. Hij vroeg zijn moeder: “Wie heeft dat zo geregeld?”
Alles vroeg hij aan zijn moeder:
“Wie heeft mij gemaakt?”
 “Hoeveel mensen heeft opa omgelegd?”
“Wat is er om de hoek, ma, wat is er daar, om de hoek?”
Zij schudde alleen maar met haar hoofd, heel traag, omdat zij het gewicht van haar zware kop van de ene naar de andere kant moest verplaatsen. Ze legde haar hand op zijn hand en zei, plechtig: “Geen hoeken, jongen. Alles is hier afgerond.”

Op het pleintje rookt de jongeman een sigaret omdat de handeling hem toelaat een paar keer luid te zuchten, zonder dat er vragen worden gesteld. Er springt een meisje uit de fontein met haar armen in de lucht, naakt en doorweekt, oksels en schaamstreek met de schaduw van stoppels. De welving van haar ontluikende vormen steekt af tegen de strakke geometrie van de appartementsblokken op de achtergrond. De wind blijft om haar contouren trillen, als een zout aura. Ze mist slechts de Sint-Jacobsschelp onder haar voeten en het heen-en-terug van vloedgolven.

De jongeman roept naar haar: “Kom hier, dat ik van Gilgamesj vertel.” Het meisje aarzelt een moment en komt dan naast hem zitten. Ze slaat haar benen over elkaar en kijkt hem aan van opzij. Haar krullend haar drupt op zijn broek.
“Je hebt rare oren”, zegt ze.
“Wil je dat ik van Gilgamesj vertel?” vraagt de jongeman, zonder haar aan te kijken.
“Nee”, zegt ze.
Er valt een korte stilte. De jongeman blaast rook uit.
“Weet jij wat er om de hoek is?” vraagt hij.
“Ja,” zegt ze, “het volgende huis, opa’s huis, en daarnaast een wei in de regen met druipnatte kalveren”. Waarop ze een treurige koe nadoet.
Ze zegt: “Aan het einde van de wereld vallen de sterren in het water, waar zij fluorescerende kwallen worden.”

De jongeman volgt met zijn blik een flatgebouw naar boven, blijft staren naar een raam op de derde verdieping en gooit na een paar tellen zijn peuk op straat.
Hij kijkt naar het meisje en neemt haar hand vast.
Samen staan zij recht.

Dit bericht is geplaatst in Kortverhalen, Nieuws, Werk. Bookmark de permalink.