Goudzand

 

“Die schedel ligt daar gewoon?”
“Ja, in het midden van de weide van boer Wolfgang. Op de heuvel. Die heeft daar toch niet om gevraagd, eigenlijk. De schrik van zijn leven moet het zijn geweest. Zijn freesmachine beet zich kapot op het sterke gebeente. De messen blokkeerden. De motor sputterde en viel stil. Wolfgang sprong uit de stuurcabine, liep naar de voorkant om te zien wat er scheelde en deinsde meteen terug toen hij de schedel zag. Hij had het over een ‘demonisch aura’. Sindsdien ligt het daar, exact zoals hij het heeft omgewoeld. Mensen komen van heinde en ver om het te zien. De dorpsraad heeft er een hek rond laten bouwen. Maar de toeristen blijven altijd op een afstand. Ze zijn bang. Ze schuilen in de bosjes verderop, naast de gracht rond de weide. Ze brengen professionele telelenzen mee om de schedel vanuit die bosjes in hoge resolutie te fotograferen.”
“Waarom is er dan een hek?”
“Iemand heeft de schedel ooit proberen te stelen.”
“Wie dan?”
“Een gek.”
“Een gek?”
“Ja. Ze zeggen dat de schedel een poort is naar de onderwereld. Als je je blote voet erop zet, begint de kaak te klappertanden en vreet ze stukken aarde weg, waardoor je naar beneden zakt, heel traag. De grond wordt vloeibaar en je drijft weg naar de doden. Gelukkig hebben ze hem kunnen tegenhouden, die gek, anders waren die van beneden ook gewoon naar boven gekomen.”
“En de andere ledematen?”
“Van Roderik?”
“Ja?”
“De keizer heeft ze verspreid over alle werelddelen. Dat deed men in die tijd met het lichaam van landverraders. Niemand weet waar zijn armen en zijn benen zijn. Ook zijn romp moet ergens verstopt zijn. Zijn piemel hebben ze naar ’t schijnt in een schatkist in de grote oceaan laten zakken. Maar wij hebben nu zijn hoofd. Ik ben daar trots op.”
“Het hoofd van een landverrader.”
“Hela, hola, wacht. Zijn verraad heeft wel de opstand veroorzaakt, toen. En de ommekeer, weg van de afgoderij in de richting van het messianisme en de waarheid. Een landverrader, ja, maar hij heeft er onrechtstreeks onze veiligheid mee verzekerd.”

Kale Prosper met de knollenneus en de lap voor zijn linkeroog zet zijn glas cognac met een klap neer op de bar. Theo ziet de ouderdomsvlekken op zijn achterhoofd en de bochel tussen zijn schouderbladen.
“Dit,” zegt Prosper, terwijl hij breed om zich heen gebaart, “dit hebben we in feite allemaal aan Roderik te danken.”
Behalve Prosper en Theo is het café verlaten. De barvrouw, Francesca met de fuchsia haren, voert onafgebroken luide telefoongesprekken in het achterkamertje.
Theo kijkt een moment door het raam. Er loopt niemand op straat. Het marktplein is leeg. De kerk lijkt alleen maar indrukwekkend omdat de aangrenzende huisjes ongewoon klein zijn. Het schemert al een beetje, maar de kasseien dampen nog steeds van de warmte. Eigenlijk wist hij al lang dat hij in dit soort dorp zou belanden. Zo ver mogelijk verwijderd van wie hij is geweest.

“Francesca, doe nog eens vol”, roept Prosper.
Dan kijkt hij naar Theo. “Je bent nieuw hier?”
“Ja, daarnet aangekomen.”
“Waar ga je wonen?”
“Weet ik nog niet.”
“Ah zo. Waar kom je vandaan?”
Theo zucht. “De kust. Ik woonde op de elfde verdieping van residentie Goudzand, in een klein studiootje uit de jaren zeventig.”
“Leuk.”
“Nee. Er kruipt vocht in alle hoeken. De leidingen zijn roestig en smerig. Om de haverklap verstoppen ze. Ze maken lawaai. Ik hoor het water, mijn pis, mijn stront. Het tapijt zit vol vlooien, denk ik. Ik weet niet waar die jeuk anders vandaan zou komen. Het gasvuur sist soms onverklaarbaar. De Bulex brult als een hond met drie koppen. Ik zit daar te roken, verder niets.”
“Werk je niet?”
Theo grinnikt. “Waarom zou ik. Ik ben niet gemaakt voor routine.”
Prosper rolt met zijn ogen. Theo negeert het.
“Vanochtend zat ik in mijn zetel naar buiten te kijken, zoals elke dag, met mijn armen over de rugleuning gestrekt, alsof ze over de schouders lagen van twee onzichtbare vrienden. En ik dacht: verdomme, ik ben alleen en verdrietig. Ik moet beginnen oppassen. Ik denk soms gevaarlijk. Ik moet vertrekken.”
“Je denkt soms gevaarlijk?”
“Gevaarlijk, ja. Ontevreden. Agressief. Compulsief. ”
“Dat ken ik niet.”
“Ik dreig mezelf en anderen in de problemen te brengen.”
“Hier, neem een Ricard”, zegt Prosper met de knollenneus. “Francesca!” Francesca met de fuchsia haren komt uit de achterkamer naar hen toe. Prosper gooit een briefje van vijf naast de pompbak.
“Op ’t gemak hé”, zegt Francesca.
Prosper doet alsof hij het niet hoort. Hij richt zich weer tot Theo.
“Je bent nieuw”, zegt hij. “Je moet opletten.” Hij buigt zijn hoofd naar Theo toe. “Heb je geen lief?”

Theo kucht. “Niet meer omkijken”, hoort hij haar zeggen. “Gewoon doorgaan. Anders word je verscheurd.” Ze zaten elk in een hoek van zijn zetel op de elfde verdieping van residentie Goudzand. Hij dacht in zichzelf: “Jezus, daar komt ze weer aanzetten met haar verwijzingen naar klassieke mythologie.”
Hun armen hielden ze gekruist voor hun buik. Ze staarden naar buiten, met hun ogen in het waterige stadium voor de tranen. De blur in het uitzicht dat op dat moment al meer van vroeger was dan van nu. De lege dijk, het strand met een enkele schim die zijn hond uitlaat, de zee en diens trage processie richting vloedlijn.
Tien jaar geleden had zij haar hand als een spinnetje naar het midden van de zetel bewogen. Hij had het gezien vanuit zijn ooghoek. Hij bewoog zijn hand ook als een spinnetje naar het midden van de zetel, waar de twee spinnetjes verstrengelden.
Zij keken naar elkaar, lachten en wisten dat het mocht beginnen, maar dat het ook zou aflopen. Al die jaren onafscheidelijk samenzijn, beslecht met de woorden: “Als je omkijkt, word je verscheurd.”

Francesca zet een Ricard voor hem neer. Hij drinkt het glas in één teug leeg. “Nee, ik heb geen lief”, zegt hij. Hij legt zijn hand op Prospers schouder. “Morgen ga ik naar Roderiks schedel.”
Prosper met de knollenneus kijkt hem met zijn rechteroog recht in de ogen. Hij stopt Theo twee muntjes toe. “Voor de gids”, zegt hij.
Theo probeert niet te veel naar de ooglap te kijken. Dat maakt hem ongemakkelijk. Prospers rechteroog gaat dicht. Theo vermoedt dat hij knipoogt. Hij zag dus eventjes helemaal niets.
“Dank u”, zegt Theo. “Dank u voor de muntjes.”

Op de elfde verdieping van residentie Goudzand zit Theo met zijn ogen dicht in de zetel. Zijn armen zijn over de rugleuning gestrekt, alsof ze over de schouders van twee onzichtbare vrienden liggen. Er wordt op de deur gebonkt. Steeds luider. Hij glimlacht. Gedane zaken, gedane zaken. Kom maar op.

Theo neemt pas enkele Ricards later afscheid van Prosper en Francesca. De nacht is gevallen. Hij kruipt achter het stuur, parkeert aan de voet van de heuvel en klimt langs een kronkelig pad naar de weide van boer Wolfgang, waar hij in het bosje naast de gracht gehurkt in de verte zit te turen. Daar ergens moet de schedel zijn.

 

Dit bericht is geplaatst in Kortverhalen, Nieuws, Werk. Bookmark de permalink.