Huizilopochtli

V.

‘Wat doe je?’
Ik kijk naar links en dan weer terug naar de grond. Er is iemand naast me komen zitten, op het pleintje, op de betonnen boord van het standbeeld.
‘Wat ben je aan het doen?’
Ik blijf voor me uit staren. Het wordt al donker. Ik moet moeite doen om me te focussen op het lijntje tussen de tegels. Het geluid van de autosnelweg verderop doet me denken aan het ruisen van tarwevelden, ’s nachts op het platteland, en de donderbeesten die bij die tarwevelden horen.
‘Francis, ik ben het’, zegt de jongen.
Ik kijk weer naar links.
‘Hey’, zeg ik. ‘Dag Batutta.’
‘Wat doe je?’
‘Ik denk na.’
‘Waarover denk je na?’
‘Ik ben een afscheidsbrief aan het schrijven.’
‘Waarover?’
‘Over een afscheid.’
‘Waarvan neem je afscheid?’
‘Ik ben het nog niet zeker.’
‘Hoe zo, je bent nog niet zeker?’
‘De brief moet echt goed zijn. Als de brief niet goed is, kan ik geen afscheid nemen. De brief moet goed zijn.’
‘Hoe ver sta je?’
‘Wel elke dag lees ik hem opnieuw en vind ik hem opnieuw belachelijk. Je weet wel, een hond besnuffelt zijn eigen drol net zo nieuwsgierig als wanneer het de drol van een andere hond zou betreffen, alsof hij die kadee niet zelf heeft gelegd. Zoiets.’
‘Uhu’, zegt Batutta.
‘De woorden voelen bij elke herleesbeurt vreemder en vreemder aan tot ik er gedegouteerd van weg loop. Zoals die hond.’
‘Inderdaad, zoals die hond’, zegt Batutta. ‘Interessant.’
Ik ben vereerd dat Batutta dergelijke sentimentele ontboezemingen interessant vindt. Batuta weet namelijk wel het een en ander over sentimentele ontboezemingen. Daarom staat hij over het algemeen nogal kritisch tegenover sentiment.
‘Heb je hem bij je?’
‘Wie?’
‘Die brief?’
‘Ja.’
‘Mag ik lezen?’
‘Straks. Eerst een andere vraag.’
En dan vraag ik Batutta wat er zich volgens hem om de hoek bevindt.
Batutta antwoordt: ‘de dood’.
Na een lange stilte voegt hij eraan toe: ‘maar we kunnen hem overwinnen’.
‘Hoe?’ vraag ik.
‘We moeten naar het einde van het heelal varen, waar de sterren in de oceaan vallen en daar fluorescerende kwallen worden.’
‘Maar de dood is om de hoek, zeg je? Waarom dan zo ver gaan?’
‘Wel de dood is niet metéén om de hoek, natuurlijk. Maar we moeten wel om de hoek passeren. Om de hoek is het marktplein, dat weet je toch, met het sculptuur van Ariadne. Ik heb van moeder tachtig porseleinslakken meegekregen om straks een lam te kopen bij Van den Boeynants. Een ventje wil ze, voor ’t vlees.
Om de hoek is de uitkijktoren met de wapperende vlaggen, de oranje toren, de straatkinderen in de schaduw, de voorbijrijdende stoomtrein, het lege station, de duizenden marktkamers die ruzieën om een plaatsje, onder wie een Perzische charlatan met zwarte schapen.
Om de hoek zijn er buikdanseressen, onaffe schilderijen op bevlekte ezels, opiumverslaafden, meestal Chinezen, geen Afghanen, in trosjes in de stegen. Daar tussenin een meisje in kleermakerszit dat blush op haar wangen probeert te smeren, terwijl ze voor haar gezicht een lepeltje om en om draait, alsof ze daarin een inscriptie ontcijfert. Haar mond staat open, alsof ze iets wil roepen. Er is zoveel gewoel en gejoel dat het op het lawaai van een autosnelweg lijkt of op het arrogante waaien van tarwehalmen op het platteland. Er is zoveel gewoel dat het op stilte lijkt. Als ik in mijn handen zou klappen, zou niets nog bewegen.
Om de hoek is de lucht groen, als het gezicht van mijn pa toen hij voor het eerst een sigaar rookte. “Duw dat ding toch uit”, zei nonkel Herman, maar mijn vader was er heilig van overtuigd dat je moest afwerken wat je begonnen was. De jouwe ook trouwens. Ze hebben daar een woord voor: loyaliteit.
Om de hoek is de burgemeester afwezig. Er is wel de opzichter natuurlijk, een respectabel man die weliswaar braspartijen organiseert in de Bartholomeuskerk met de plaatstelijke machthebbers en de plaatselijke minderjarigen, maar daarom in deze gemeenschap niet minder respectabel wordt geacht. Men spreekt over orgieën in een zelfgemaakte badkuip vol confituur en meisjes in tutu, maar al snel uit die tutu. Hij kan ons alvast veilig door de steegjes loodsen.
Ooit moeten we dus langs het marktplein passeren, onderweg naar de dood, zoals Bilgames.’
‘Wie?’
‘Bilgames, die ken je wel. Je noemt hem alleen anders.’
Batutta legt zijn hand op mijn bil.
‘Coprol, jij en ik moeten het als onze levenstaak beschouwen om het imperialisme van de dood te breken. Als helden. We moeten helden zijn.’
Ik vertel hem niet dat de wetenschap ons ondertussen al ver heeft gebracht op het pad naar het eeuwige leven.
‘Over dertig jaar vindt de pharma-industrie de onsterfelijkheid uit en dan is dit voor niets geweest’, wil ik zeggen, maar in de plaats daarvan zeg ik: ‘Helden. Goed.’
‘Maar eerst wil ik je brief horen’, zegt Batutta.

Dit bericht is geplaatst in Kortverhalen, Nieuws, Werk. Bookmark de permalink.