Kapucijn (2)

Ze doet alsof ze niet merkt dat hij terug is. Ze wandelt doelbewust en met regelmatige tred verder. Hij kijkt naar haar. Ondanks haar vettige hoofd, haar dikke buik en haar lage graad van verfijning, moet hij toegeven dat hij haar altijd aantrekkelijk heeft gevonden. Het heeft niets met haar vormen en haar gedrag te maken. Die zijn soms werkelijk onuitstaanbaar. Het is dat typerende licht in haar ogen wanneer zij naar hem kijkt. Zij is de enige vrouw die hem het gevoel geeft dat hij mag bestaan. Bovendien gelooft hij dat ook zij hem nog steeds aantrekkelijk vindt, ondanks zijn stinkvoeten, zijn boeren, zijn scheten, en de afwezigheid van de gewenste beleefdheden (pardon, excuseer, na u), en ondanks zijn gebrek aan empathie voor de fijngevoelige vrouwelijkheid. Ook al is die door haar gewicht helemaal tot in haar achillespezen gezakt.

Zij heeft het nooit jammer gevonden dat hij zijn geloof in de mens is kwijt geraakt, omdat hij er de mensheid mee bedoelt, en niet de aparte mensjes die tot hun kleine en steeds kleiner wordende kring behoren. Hij heeft altijd een goed hart gehad en toen hij merkte dat zijn verstand dat goed hart dreigde te bezoedelen, heeft hij op het juiste moment ingegrepen door een leven te kiezen waarin hij compleet vrij kon bewegen, met een minimum aan middelen en een minumum aan redenering.

De omslag gebeurde in het grootwarenhuis om de hoek. Hij stond in het midden van de winkel ter hoogte van de bioproducten. Het was nog vroeg. Hij was er helemaal alleen. Hij keek naar het betonnen plafond, naar de buizen voor water en lucht en elektriciteit, naar de rasters van de airconditioning, naar de luidsprekers voor de radio en de intercom – ‘Concitta voor kassa vijf’ - , en voor het eerst bevond hij zich niet in een winkel, maar in een doodgewoon gebouw waarin iemand toevallig een hoop rekken had gezet, op die rekken producten had geordend en dat geheel, samen met de kassa’s en de mandjes en de diepvriezers, een ‘warenhuis’ had genoemd.
Hij stond daar wat bedremmeld van het ene op het andere been te wippen en wendde ondertussen zijn blik van het plafond af naar de lachende gezichten van boeren en boerinnen uit Ethopië of Guatemala op de fairtrade pakjes koffie, chocolade en koekjes. Hij voelde zich naakt en bekeken in een ruimte die onder andere omstandigheden net zo goed iemands appartement had kunnen zijn, of een concept store, of een fuifzaal, of een ruimte die er helemaal niet had kunnen zijn. Hij wist niet wat hij hier kwam doen. Hij verliet de winkel in een zekere verwarring, maar met de overtuiging op zijn gezicht dat hij iets begrepen had. Concitta van kassa vijf heeft hem nooit meer teruggezien. Dat was het kantelpunt geweest.
Achteraf, in zijn woonkamer, zei hij: ‘Het heeft geen zin je op te winden over de mensen op de terrasjes. Je moet er gewoon tussen gaan zitten.’ Hij herhaalde het, steeds luider, zodat de buren het zouden horen.

Zijn vrouw paste meteen in zijn plaatje. Als een communicantje begon ze het mini beige maatpakje te dragen dat hij voor haar had ontworpen en uit dankbaarheid zorgde zij ervoor dat hij niets tekort kwam.
Mogelijk blinkt er iets in zijn eigen ogen wanneer hij naar haar kijkt, vermoedelijk geen lichtje, veeleer het felle rood van gesprongen adertjes in zijn oogwit, die behalve op slapeloosheid, treurnis of uitdroging bovenal wijzen op de moed om zonder wroeging door te gaan. Als hij niet standvastig was geweest, was ze allang bij hem weggegaan, en was ze al zeker niet tot hier gekomen om hem bij zijn ultieme daad van respect te vergezellen. Al ligt die ultieme daad van respect in de lijn van een ultieme daad van verzet.

‘Daarnet heb ik iets raars…’, begint hij.
‘Ja ja.’
‘Er was een jongen…’
‘Ja ja.’
Hij zwijgt. Zij zwijgt. Ze lopen een tijdje zwijgend verder.
‘Er zijn veel woorden die lelijk zijn maar niet per se iets lelijks betekenen.’
Zij zwijgt.
‘Zoals…spatbord.’
Zij kucht, neemt de trolly van hem over, slaat een nieuwe weg in. Ze botsen bijna op twee buggy’s en een man en een vrouw die ze voortduwen met een sigaret in hun mondhoek. Zoveel kinderen die passief roken, denkt ze.
‘Of kalkheks of gemenebest.’
Niet beginnen nu, denkt ze. Niet beginnen nadenken nu.
‘We zijn er bijna’, zegt ze, terwijl de hoge toren voor hen opdoemt.

Soms vraagt hij zich af waarover ze fantaseert als ze masturbeert. Hij weet zeker dat ze masturbeert. Hij heeft het al dikwijls gehoord. Ze schaamt zich niet voor de daad op zich. Ze doet het op hun matras, in de living, terwijl hij zich scheert of doucht of op de wc in zijn neus zit te peuteren.
’s Winters draait ze de verwarming eerst wat lager voor ze gaat liggen. Hij hoort hoe ze de kussens onder haar hoofd en rond haar heupen schikt en haar joggingbroek tot onder haar knieën schuift. Soms hoort hij de sluiting van haar bh open klikken, maar da’s uitzonderlijk. Net zoals het steeds uitzonderlijker werd dat hij het vocht hoorde die de beweging van haar hand deed opwellen of de toenemende decibels van haar gehijg. Ze werd stiller of het werd moeilijker of ze werd zorgvuldiger. De laatste keer vond hij een kleine komkommer op haar nachtkastje, blinkend en glad van een olieachtige substantie. Hij hield de komkommer onder zijn neus en rook de herinnering aan hun begin.
Hij durft haar niet te vragen waarover ze fantaseert als ze masturbeert, al lijkt het hem wel een goed idee. Niet dat die fantasieën ooit werkelijkheid zouden worden, daarvoor zijn fantasieën te leuk en te hard eigendom van wie ze ziet. Dat weet ook hij. Het zou een vorm van diefstal kunnen zijn.
Zij vrijen niet meer sinds ze het bericht kregen dat het nergens toe zou leiden, maar hij wil het vragen omwille van het inzicht, en misschien om haar één klein fantasietje van zichzelf te kunnen vertellen, nadat zij er eentje heeft verteld. Misschien vertellen ze elkaar beurtelings een fantasietje, bij de koffie en de koekjes, maar wel met de ruggen naar elkaar toe, tegen het rood worden. Zo van: twee of meer mannen, twee of meer vrouwen, in die of die positie, op die of die openbare plek, met die of die vriend(in), met die of die bekende Vlaming, wat langer in dit of dat gaatje. Hij moet ervan glimlachen.
Hij heeft het bovendien altijd vuil gevonden dat mensen seks hebben via de organen waarmee ze ook plassen. Wie heeft dat eigenlijk bedacht. Dan wil je likken en hangt er nog pipi of kaka aan. ’t Is een gedoe. Hij mist het niet. Dat weet hij. Maar als ze zich zo overduidelijk niet schaamt voor de daad, misschien schaamt ze zich dan evenmin voor de fantasietjes erbij.

Zijn vrouw houdt nu halt. Ze neemt zijn hand vast. Hij knijpt in de hare. De man en de vrouw met de trolly kijken naar boven.

*

Het regende toen ze allemaal huilend rond moeders bed zaten in kamer 812 van het Sint-Jan. ’t Is te zeggen: iedereen huilde, behalve Ramses. Ramses weigerde te huilen. Niet dat hij niets voelde, integendeel. Het feit dat hij haar zijn tranen niet gunde, was sterker dan alle gevoelens bij elkaar. Als wrok en treurnis wedijveren, hebben de tranen bij voorbaat al verloren.

Vroeger vergeleek zijn moeder het leven met auto’s. De auto’s zien er allemaal anders uit. Ze verschillen in kleur en in vorm, in kostprijs en in paardenkracht. De ene bestuurder rijdt sneller dan de andere, maar als iedereen voluit de gas zou indrukken, blijft de maximumsnelheid op dezelfde limiet, want dat zijn de autoconstructeurs overeen gekomen. Daarmee wilde ze zeggen: ondanks alle ongelijkheid onderweg is iedereen vlak voor de finish compleet gelijk en dat hebben we te danken aan een hogere instantie die dat zo heeft bepaald. God.
‘Behalve dan als je met je auto morrelt, zoals bij die opgezette bakken of tijdens Spa-Francorchamps.’ Iedereen in het gezelschap schoot dan in de lach, behalve moeder, want ze meende het. Daarom kon ze egocentrisme zo gemakkelijk relativeren en kreeg ze over ’t algemeen het schijt van de sport op tv.
In auto’s zijn mensen volgens haar het meest zichzelf, bovendien, omdat ze denken dat hun auto wordt bekeken en niet zijzelf. En dus peuteren ze ongegeneerd in hun neus of krabben ze aan een pukkel, brullen ze ongegeneerd en kattenvals hun favoriete plaat mee, van begin tot eind, of worden ze ongegeneerd afgezogen, minder regelmatig wel, dat laatste, maar het komt frequenter voor dan je zou denken. Wagenfellatio heeft al een zeker percentage ongevallen veroorzaakt. Daar zal wel ergens een artikel over bestaan met een statistiekje. Nooit helemaal tot de climax, die fellatio, neen, want de vrouw of de man die zuigt stopt doorgaans, door het plotse besef dat het op-en-neer in iemands schoot een niet mis te verstane beweging is. Plots zien ze weer in dat een auto net als mensen vensters heeft waar een ander in de vlucht doorheen kan kijken en soms kan zien wat er zich binnenin afspeelt. Ze vegen hun mondhoeken droog en zingen verder als een ontstemde viool, terwijl de bestuurder treurt om wat onafgewerkt bleef. Zijn lid treurt ook en daalt zienderogen als een verwelkte bloem naar beneden.
‘Niet zo in de winkelstraat’, vervolgde moeder. ‘Façades, façades. Niemand is echt. Daar gaat het bij zonnig weer alleen maar over konten. Soms ook over borsten, maar meestal toch over konten. En bovendien ook bij regenweer. Borsten zitten te hoog, te dicht bij de ogen. Ze worden op den duur zelfs met ogen verward. De tepels als pupillen. En men zou wel eens betrapt kunnen worden. Billen zijn laag bij de grond. Je hoeft er niet voor op te kijken. Een scheve blik is al genoeg om omvang en stevigheid en mate van zichtbaarheid van het pakket in je op te nemen. Tegenwoordig dragen de meisjes van die broekjes waar je bloot gat onder vandaan komt. Je ziet gewoon totaal de plooi waar de bovenbenen in de bips overgaan. De rest erbij fantaseren, daar heb je niet veel werk meer mee. Doen ze het daarom, of gewoon omdat het zo warm is? Dat wil ik wel eens weten. Ik had het in ieder geval in de sixties niet zien gebeuren, en toen was het ook warm.’
En dan haalde ze haar fotoalbums boven om aan de hand van zedige kiekjes in strandkledij te tonen hoe gecorrumpeerd de seksuele moraal is geworden. Haar badpak benaderde de moderne boerkini in hoeveelheid textiel.
‘Meisjes van nog geen vijftien met een zwempak op een billboard voor Adidas. Da’s toch nergens voor nodig’, wierp ze nog op, waarop ze Ramses aankeek en hem toeknikte, omdat ze het flink van hem vond dat hij geen meisje had, toen. Zijn moeder noemde zichzelf een vrome katholiek.

‘Mannekes, ’t is bijna tijd’, zei moeder in haar gemotoriseerde bed in kamer 812 van het Sint-Jan. Ze draaide haar hoofd naar Ramses toe. Moeizaam, met kleine schokjes.
‘Ramses, jongen.’
Hij keek haar niet aan. Hij vond de aanblik van haar kale hoofd en haar doorligwonden ondraaglijk. Hij staarde naar de tegels op de vloer. Het rook er naar isobetadine. Hij schudde zijn hoofd.
‘Ma’, mompelde hij, als om te zeggen: ‘Ik heb het allemaal al eens gehoord.’
De hand van zijn zus ging heen en weer over zijn gebogen rug. Zijn eigen handen hield hij samen, alsof hij zat te bidden. De drie koffies op het plastieken bijzettafeltje konden de ziekenhuisgeur amper verdringen. Hij reikte naar een bekertje, nam een slok en sloeg zijn ogen weer neer.
‘Wat ik nog zou willen’, zei moeder.
Ramses en zijn twee zussen wisten wat er ging komen. Een hallucinatie. Die kreeg ze de laatste dagen wel vaker. Meestal over vogels, zee-arenden bijvoorbeeld die luid tierend naar het wateroppervlak duiken, waar haar lijk op een ineengevlochten vlot ligt te dobberen, en in haar naakte borst pikken. Zodra ze haar hart raken ontploffen ze in een wolk van veren die in een mum van tijd in confetti veranderen, haar lichaam bedekken, daar gouden munten worden en haar naar de bodem doen zakken op haar takkenbed, tot ze de bedding raakt en een oorverdovend applaus hoort vanuit de riffen om haar heen. Pas dan begint ze te stikken en ziet ze haar kinderen in duikpakken rond haar hoofd zweven. Ze graaien naar haar keel en drukken hem dicht.
‘Eens op de Screaming Eagle zitten’,  zei ze, terwijl ze naar de vochtvlekken op het plafond keek die zich onder haar blik vermoedelijk in allerlei fantastische vormen plooiden. Alsof ze als kind op haar rug lag in het duinenzand en naar boven wees, waar ze in de wolken Rapunzel herkende, of een piratenschip, of een gevleugelde eenhoorn.
Ramses keek zijn zussen aan en rolde met zijn ogen.
‘We geraken niet meer in Bellewaerde, ma’, zei de jongste zus.
‘Over een uurtje ben je dood’, zei de oudste.
Moeder draaide haar hoofd weer naar Ramses.
‘Ramses jongen, zeg toch iets.’
Hij had koffie op de grond gespat. Zij dacht dat het zijn tranen waren. Er kwam een verpleegster binnen.
‘Ja, alles onder controle’, knikte zijn zus.
De verpleegster knikte terug en ging weer weg.
‘Ramses.’
‘Ja, ma.’
‘Breng mij…’ Ze slikte iets door, krabde met haar rechterhand aan de arm waar het infuus in stak, een perkamenten arm, eeuwenoud en met paarse vlekken die verrieden dat de hulpverleners nog moeilijk aders vonden of aders misschien wel, ‘er zat gewoon geen bloed meer in dat mevrouwtje’.
Ze rochelde. Haar kleine hoofd leek van haar romp gescheiden. Zo plat was haar onderlijf. Alsof iemand een rietje in haar gat had gestopt en haar langzaam leeg zoog. Haar lichaam tekende geen contouren meer af in het laken. Het viel ermee samen. Ze was nog slechts het figuurtje op de kindertekening, met lijf, armen en benen uit één potloodstreep en een kop als een grote knikker. Een geslachtloos stokjesmens dat breekt als je er te lang naar kijkt. Ramses dacht aan een graatmagere vlinder die in weerwil van de traditie een cocon wordt om in dood te gaan.
‘Breng mij naar Bellewaerde’, zei moeder.
‘Maar ma,’ zei Ramses, ‘het regent.’

Dit bericht is geplaatst in Kortverhalen, Nieuws, Werk. Bookmark de permalink.