Kapucijn (1)

‘Alle vette vrouwen vallen voor Kamiel’, zegt de man achter het stuur, en hij lacht. Hij is zo’n man die met zijn eigen grappen lacht. Niet omdat hij ermee inzit dat er verder niet gelachen wordt, maar gewoon omdat hij het oprecht een goeie vondst vindt, ook al is het zijn vondst niet. ‘Alle vette vrouwen vallen voor Kamiel’ is gemeengoed bij de schooljongens die voor het eerst over de Groote Oorlog leren. ‘Allen voor Vlaanderen, Vlaanderen voor Christus’, dat is te serieus, te gedateerd. Maar in de liefde van vette vrouwen voor Kamiel zit veel meer verzoening dan Christus ooit heeft kunnen teweegbrengen in de jaren sinds hij herrezen is verklaard, bedenkt de man achter het stuur.

De lach van de man sterft uit. De onderkant van zijn buik raakt nog lichtjes met intervallen de onderkant van het stuur, tot de buik stilvalt en bij zijn ademhaling haast onzichtbaar op en neer veert. De stof van zijn wijde t-shirt kreukt, vouwt zich weer open, kreukt opnieuw. Hij kijkt opzij naar zijn vrouw om te zien of zij naar hem kijkt. Zij staart uit het venster naar de steenweg die zich als een grijze knikkerbaan voor hen uitrolt. Hoe lang nog, denkt zijn vrouw. Zij heeft niet gelachen met Kamiel. En al zeker niet met de vette vrouwen.
De zon op de ramen maakt de auto drukkend warm als een serre. De auto heeft geen airco. Ze zitten allebei te zweten en zich in stilte op te winden over de druppels die langs hun ruggengraat in hun bilspleet glijden.

Ze rijden langs de IJzertoren. De zetels van de tweedehands gezinswagen zijn achteraan ingeklapt. Er ligt een grote, roze trolly op de plek waar ze door de achteruitkijkspiegel hun kinderen hadden willen zien.
Ze hebben geen kinderen. ‘Nooit’, zei de dokter. En dat was dat. Nooit de negen maanden van irritatie, stemmingswisselingen, hormonen, de hunkering naar alcohol en nicotine door merg en been, de seksloze weken, libido’s die splijten op golfbrekers van gemekker, hoofdpijn en praktische bezwaren, zo met die buik en al, ‘hoe moet ik nu gaan liggen?’. Nooit de horrorverhalen van jonge moeders – ‘het voelt alsof je helemaal openscheurt’ en ‘wist je dat je soms los op de verlostafel kakt?’ Nooit de ontlading en de gelukzaligheid bij de geboorte, de ontnuchtering en de nieuwe irritaties van het jonge gezin, de wasjes en de plasjes en de foto’s op Facebook: ‘ja ja, we zijn nog altijd blij met onze keuze’. Nooit na anderhalf jaar zitten, stappen, spreken, tanden poetsen, anderhalf jaar teevee kijken bij regenweer, speelpleintjes in de zon, nooit na anderhalf jaar opnieuw kunnen beginnen, met de frons op twee gezichten, zo van: ‘zijn we héél zéker?’ En het dan maar doen, want een broertje of zusje zou wel tof zijn. Nooit zullen ze kinderen hebben. Ze hebben de trolly.

Het grootste deel van de tijd zwijgen ze. Hij, met een hand aan het stuur en een hand op de pook, zijn ogen tot spleetjes geknepen. Soms laat hij de pook los om door zijn gemilimeterde haar te wrijven. Het voelt als een baard. Op de kruin is hij kaal in een perfect rondje, alsof er een ufo is geland en weer opgestegen.
Zijn vrouw heeft haar armen gekruist in de zachte plooi tussen haar dikke buik en haar volumineuze boezem die zonder bh onder haar kleren hangt. Haar handen rusten op de bovenste vetrol, haar rechterhand geklemd rond haar linker pols. Ze draagt de hakken die ze kocht voor het nieuwjaarsbal, vijf jaar geleden al.
Verder ziet ze er ongewassen uit. Haar dunne slierten haar raken net niet aan de bovenkant van haar t-shirt. Ze heeft er zelf een print op gestreken. Life’s a bitch and then you marry one. Ze had nog een moment getwijfeld over Life’s a bitch until you marry one, maar toen besloot ze dat dat niet echt overeenkwam met wat ze bedoelde. Vorige week kocht ze het t-shirt op een marktje in Luik, waar je vervolgens een print naar keuze kon laten ontwerpen.
Ze waren er op reis. Het marktje was hét evenement van het jaar. Achteraf waren ze allebei tevreden dat zij die mooie herinnering, vol verwijten in ’t Frans, zwalpende dronken arbeiders en gerochel op de grond, had vereeuwigd met zo’n mooie print op zo’n mooi t-shirt.

De stemmen op de radio zijn onverstaanbaar. Daar houdt ze eigenlijk niet van, dat je de stemmen op de radio net niet hoort. Alsof er voortdurend kindjes in je oor liggen te fluisteren. Maar ze zegt het niet. Ze laat hem doen. Hij mag zich niet opjagen in ’t verkeer. Anders zit het er voor de rest van de dag op, met die nukkigheid van hem. ‘Er is ook zoveel volk op deze verdomde wereld.’
Het is inderdaad druk op de weg. Er rijden bussen vol kinderen op de steenweg tussen Diksmuide en Ieper. De man kijkt in zijn spiegels, links, rechts, achter. Links de flanken van bussen, in een karavaan achter hem aan, rechts dezelfde flanken van dezelfde bussen en nu en dan een fietser. Achter: de roze trolly, en de neuzen van de bussen.
Een tijd geleden, toen hij nog over de dingen nadacht, vond hij het verkeer de plek waar instinct en rede zich het beste lieten voelen. Als je door een bestuurder achter je opgejaagd wordt, heb je twee reflexen tegelijk: je wil sneller rijden, dat is het competitieve instinct, maar als je de maximumsnelheid overschrijdt, riskeer je een boete, dus hou je je in, dat is het rationele controlemechanisme.
Nu heeft hij slechts de rust: hij rijdt nog twee keer zo traag en verwondert zich op zijn gemak over het landschap, een paar kilometer buiten de stad, dat zelfs met dit weer net zo grijs aandoet als de stad zelf. Hij dwaalt in gedachten af naar die verkeerde beslissing, vanochtend op de matras in de living van hun kleine appartement, om een pantalon aan te trekken in plaats van een short. Die rust. Die sacrale rust. Die moeten ze vasthouden. Hij hoopt dat de damp uit zijn billen geen vlek zet op zijn broek.

Op het trottoir in de bocht staat de inboedel van een oude kapel te koop. Iemand heeft de poort met graffiti beklad. Zonden - gratis mee te nemen, staat er in dikke paarse letters. Tussen de meubelen rookt een man een sigaret. Het is niet duidelijk of hij iets met de kapel te maken heeft.
Boven Café Vesuvius in het volgende dorp hangt een man uit zijn raam. Hij schreeuwt naar een vrouw die op het terras rustig blijft nippen van een Kirr Royal. Ze windt zich niet op. Ze nipt, rookt, schreeuwt nu en dan iets terug, terwijl de man uit het raam rood aanloopt. Hij maakt kabaal voor de hele straat. Daarom betekent ‘leven’ in het westen ‘lawaai’, denkt de man aan het stuur. Hij heeft het gisteren nog opgeschreven. Hij moet er nog iets mee doen. Een anekdote. Een grapje. Een herinnering, misschien. Soms mist hij zijn taal. De taal waarmee hij geboren is. ‘Wat is de gelijkenis tussen leven en lawaai?’ Lawaai.
Noordschote, Zuidschote, honderd jaar Groote Oorlog. Rijen en rijen witte grafstenen op de Commonwealth-kerkhoven langs de weg.
‘Zag ik daar de Boomerang?’ vraagt ze
‘Nee,’ zegt hij, ‘we zijn nog te ver’.

Ontelbare kapelletjes, cafés, weilanden en akkers later arriveren ze. Ze parkeren en hijsen samen de trolly uit de koffer. Het is moeilijk lopen over het grind naar de ingang. De trolly bolt niet, hij trekt strepen.

*

In de wachtrij voor de kassa denkt de man terug aan zijn plechtige communie. Hij denkt er herhaaldelijk aan terug, aan dat bizarre overgangsritueel dat in het zesde leerjaar meer een soort sacrale proclamatie is voor de commune die de parochie heet. Zijn moeder dirkte hem hevig op. Hij was klein en tenger, toen. Hij moest het dus niet van zijn postuur hebben.
‘Dan moet je het maar van je looks hebben’, zei ze, terwijl ze met het meetlint langs zijn armen en zijn benen en zijn heup streek, om er later een mini beige maatpakje van te laten maken, met een olijfgroene strik.
‘Da’s niets hoor’, stelde ze hem gerust. ‘Denk maar aan een paprikaplant. De groene vruchten worden eerst geoogst. De groene die blijven hangen worden geel, dan worden de gele geoogst en de gele die blijven hangen worden rood. Pas helemaal op het laatst worden de rode geoogst. ’t Is niet omdat de telers een vrucht minder snel rijp achten dat het een mindere vrucht is of dat hij minder wordt gegeten, laat staan minder goed smaakt.’
Hij heeft de wetenschappelijkheid van haar bewering nooit gecontroleerd. Maar later dacht hij wel nog vaak aan haar paprikaplant terug, vooral wanneer hij een beslissing maakte die achteraf beschouwd de verkeerde was geweest. Bijna dagelijks dacht hij aan haar paprikaplant terug.

Hij weet nog dat hij meer dan andere kinderen naar haar aanraking verlangde. Vaak ook ’s nachts, sinds hij in zijn dromen voor het eerst blote borsten zag, wakker werd en zich afvroeg of het vanaf dan altijd zo zou zijn, dat je het gevoel hebt dat je in de kou in de zee hebt gezwommen en je speedo nooit meer droogt.
’s Morgens vroeg hij: ‘Mama, krijg ik later ook borstjes?’
‘Ja,’ zei ze, ‘rond je dertigste’, terwijl ze aan papa dacht die toen al naar dat ander land was verhuisd, waar hij aan een gouden poort heeft gebeld en voor altijd in weilanden dartelt met blote maagden die om hem en zijn borstjes heen zwermen, als meeuwen rond een gevallen pak friet.
‘‘k Vond het raar dat ie binnen mocht’, zei mama.
Hij weet nog dat ze hem frequent op zijn kont sloeg wanneer ze hem na een woordenwisseling wegstuurde en hem achterna riep: ‘But I love your butt’. En nee, dacht hij later, nooit zei ze ‘ass’.

De glasramen, het altaar, het schip en de beuk. In zijn mini beige maatpakje met olijfgroene strik nam hij de kerk in zich op die in al zijn hemelreikende glorie op hem neerkeek. Hij knielde op de marmeren trappen voor het altaar, bijna met zijn neus tegen de zoom van het priesterkleed. De priester hield een klein houten kruisje in zijn linkerhand omhoog en bulderde zijn naam door de kerk, exact zoals hij het met de andere namen had gedaan, die nu eens kort en dan weer langer tussen de nissen echoden.
De priester boog naar hem toe, simuleerde op zijn voorhoofd een kruisje met zijn duim, legde een hostie in zijn gevlinderde handpalmen (rechterhand boven!) en prevelde: ‘Gezegend, gezegend’. De priester kwam vervolgens recht. Dat was het teken voor hem om ook overeind te komen. Hij stapte misnoegd de trapjes af in de richting van zijn moeder die op de tweede rij zat, naast een man met een bril die voortdurend naar haar billen keek, toen hij zich plots bruusk omdraaide, naar de priester terug liep en hem een stomp in zijn ballen gaf.
De priester, opnieuw voorovergebogen en kermend nu, kon niets anders doen dan het kruisje naar hem blijven uitsteken en ‘gezegend, gezegend’ blijven hijgen, gevolgd door zijn naam, terwijl de jongen op moeders schoot ineen dook als een slak in zijn schelp, met een bruin stompje haar dat net boven zijn kraag met de olijfgroene strik uitstak. Zij aaide over zijn bol en knikte trots naar de ontstelde misdienaars die aanstalten maakten om de pastoor tegemoet te snellen, maar zich inhielden omwille van Jezus. Met dat trots knikken wilde zijn moeder zeggen: ‘Da’s de mijne.’
De kerkfabriek gaf hem geen sanctie. De priester en zijn entourage lieten hen vertrekken met de mededeling dat het leven voor iemand als hij op zich al voldoende straf zou bevatten. Thuis waste hij zijn voorhoofd tot het bloedde.
Sindsdien weet hij waarom ‘goddelijk’ in het westen ‘belachelijk’ betekent. Hij schreef het op.

*

Zijn vrouw zit met de trolly aan haar hand op een bankje te wachten, een paar meter van de wachtrijen verwijderd. Ze luistert naar de hoempapamuziek die hier al aanvangt, nog voor je het park betreedt, en denkt aan een artikel dat ze las in de krant vanmorgen. Twaalf procent van de wereldbevolking houdt meer van zijn huisdier dan van zijn partner. Ze keek ervan op en nam een slok van haar lauwe koffie. Wat als je huisdier je partner is of je partner je huisdier?

Haar man staat aan de kassa nu, voor het schuifraampje. Hij draait zich om en wijst naar zijn vrouw. Zijn vrouw legt haar hand op de trolly en knikt. De kassierster knikt ook en geeft hem zijn toegangstickets.
Ze wandelen langs de vliegende stoeltjes, het huis van Houdini, de Bengal Express , de Huracan en de Boomerang. Zij kijkt voortdurend naar de gezinnen die passeren, de kinderen aan de kraampjes, hunkerend naar zoet, de kinderen die vooruit lopen en wijzen naar de attracties die ze zien en die ze willen uitproberen, opnieuw en opnieuw, maar neen, je kan niet blijven zitten, het is te druk voor een tweede keer. De tijd die voorbijtikt in al die wachtende lijven, een halfuur niksen voor vijf minuten adrenaline. Dat hebben ze er wel voor over, maal tien.
‘Hebben we vijf uur in de rij gestaan, mama?’
‘Zoiets, jongen.’
‘En vijf uur gereden ook’, gromt een vader in het Kempisch.
De tantes en de nonkels zitten op een bankje met een cola en een ijsje, één bolletje, want twee is te duur, en slagroom is zeker te duur, vuile dieven.
‘In de winkel kost een pot vanille drie keer zo weinig.’
Driekwartsbroeken en zilveren halskettingen en petjes en kleren met prints: alles is geoorloofd, zelfs flipflops en skibrillen.

De vrouw kijkt om zich heen om te zien of de mensen ook naar hen kijken. Ze meent te merken dat ze dat inderdaad doen. Ze kijken weg zodra ze zien dat zij ook naar hen kijkt, alsof ze zich schamen voor hun kijken. Niemand wil hier zijn omwille van de andere bezoekers. Iedereen wil hier zijn om het eigen vertier. Al de rest kan ze zogezegd geen moer schelen. Maar in de praktijk is dat anders.
‘Zie je wel’, zegt ze.
‘Zie je wat wel?’
‘Dat het geen goed idee was.’
‘Waarom?’
‘De mensen kijken. Naar ons. Naar onze trolly.’
‘Mensen kijken altijd. En zeker naar trolly’s. En zeker naar roze trolly’s in een pretpark.’
Ze zwijgt en versnelt haar pas. Ze neemt het weggetje linksaf, in de richting van het apeneiland. Hij blijft staan.
‘We moeten rechtdoor’, roept hij haar na.
‘Ik moet niks’, zegt zijn vrouw en ze wandelt verder.
Hij zucht, slaat rechtsaf en gaat zitten op een picknicktafel in een hut, waarvan het dak met bamboe is bedekt. De kraampjes onder de hut zijn nog gesloten. Hij zit er helemaal alleen. Zijn hand rust op de bovenkant van de trolly. Hij klopt erop.
‘We zijn er bijna’, zegt hij. ‘Ze draait wel bij.’

Er komt een jongetje naar hem toe. Het jongetje wijst naar zijn hand die bovenop de trolly ligt.
‘Je bloedt,’ zegt hij. ‘Je hebt een snee.’
De man kijkt naar zijn hand. Het bloed is er echt. Het laat een spoor na op de voorkant van de trolly en drupt langs de wieltjes op de grond. Het jongetje komt naast hem zitten.
‘Ik heet Arne’, zegt hij. ‘Donderdag moet ik ook een snee hebben.’
De man draait zich niet naar hem om. Hij kijkt voor zich uit, waar hij zijn vrouw achter de struiken ziet verdwijnen.
‘Ah ja?’ vraagt hij.
‘Ja, een snee in mijn piemeltje. Dan kan ik hem beter wassen, zegt mama.’
‘Ik zal donderdag voor je duimen’, zegt de man.
Arne gaat niet weg.
‘Waar kijk je naar?’
‘Naar mijn vrouw.’
‘Waar gaat ze naartoe?’
‘Het apeneiland. De kapucijntjes.’
‘Ik hou meer van hun broers.’
‘Hun broers?’
‘De doodshoofdaapjes.’
‘Hmm.’
‘Wat zit er in je tas?’
‘Reservekleren.’
‘Ah, voor de Niagara.’
‘Euh, ja.’
‘In Plopsaland noemen ze een splash gewoon een splash.’
‘Waar zijn je ouders?’ vraagt de man, die voor het eerst overvallen wordt door vaderlijke bezorgdheid.
‘Mijn papa zit op de wildwaterbaan.’
‘De Bengal Rapid River?’
‘Ja.’
‘En je mama?’
‘Die woont terug bij oma. Papa is met Francesca nu. Ik heb ze al eens zien poepen.’
De man kijkt nu voor het eerst naar het jongetje. Hij is ros, draagt een voetbaltruitje van Barcelona en een shortje dat een heel eind boven zijn knieën komt, daaronder: sandalen die twee maten te groot zijn. Hij is ongeveer negen jaar oud. Zijn neus is te groot voor zijn gezicht.
‘Wat vond je daarvan?’
‘Eng. Francesca bloedde. Dat komt omdat ze nog jong is, zei papa achteraf. Ze waren niet gestopt toen ik binnenkwam.’
De man staat recht.
‘Ik moet weer eens gaan. Leuk je te ontmoeten.’
‘Doet het pijn, zo’n sneetje?’
‘Je wordt vast goed verdoofd’, zegt hij en hij stapt weg, zonder trolly.
Achter zijn rug begint Arne de trolly behoedzaam open te ritsen. De man draait zich om, rent naar hem toe en trekt aan zijn arm.
‘Godver…’, sist hij.
‘Sorry’, zegt Arne. ‘Ik ging je kleren niet stelen. Ik heb gewoon zo’n dorst, ik wou zien of er…’
‘Drink dan in de toiletten’, zegt de man en snelt weer bij hem vandaan, met de trolly achter hem aan, hobbelend over de kasseien als een kleuter die pas heeft leren stappen en nu eens op het ene, dan weer op het andere been balanceert.
‘Je bloedt nog steeds’, roept Arne.
De man draait zich nog één keer om.
‘’t Is geen sneetje in je piemel, ’t is een knipje, in je voorhuid’, momelt hij en verdwijnt om de hoek naar het apeneiland, terwijl hij het bloed van zijn duim zuigt.

 

Dit bericht is geplaatst in Kortverhalen, Nieuws, Werk. Bookmark de permalink.