Kennel

Dit is mijn eigendom. Het strekt zich uit tussen mijn oren. Ik loop hier rondjes tussen rode borden met witte strepen die ik hier zelf heb neergezet. Ik loop hier rondjes tot ik neerval met mijn kin op de grond en mijn poten wijd open. Mijn strottenhoofd stijgt naar mijn hoofd. Hier zwijg ik. Hier woon ik. Hier waak ik.

Dit is mijn eigendom: halfopen bebouwing, bewoonbare oppervlakte 140 vierkante meter, keuken met ontbijt, badkamer zonder wc met bidet, geïsoleerde zolder, grote tuin met kippenhok, zonder boomhut, schitterende drainage, garage met automatische garagepoort, Fiat 500 niet inbegrepen, doorgaans weinig passage op straat.

Er ligt een dode lijster op de deurmat. Ik til het beest bij zijn staart omhoog om het te bekijken. Zij slaat het uit mijn handen en zegt: ‘Etje, da’s vies.’ Ze duwt me terug naar binnen en trekt de deur dicht. ‘Hé, mijn deur’, zeg ik. ‘Onze deur’, zegt ze. Mijn deur, denk ik.
Zij vindt dat wij een poes moeten nemen.

Ik kijk uit vensters, dagenlang, door de frame van een passe-partout. In de verte zie ik mannen hoog op prikkeldraden zitten, met stekels in hun ballen en dromen in hun hoofd. Op het strand aan hun horizon liggen walvissen met plastic zakken in hun maag. Op het reuzenrad verderop zitten een moeder en een kind. De neus van de jongen prikt een gat tussen de borsten van de moeder. ‘En nu de waarheid!’ roept ze.
Aan de overkant van de straat wonen Peter en Wendy en twee kinderen. Zij geloven in sprookjes. Op een dag springen ze uit het raam, breken acht benen en acht armen en een langslopende hond.
In het weekend loopt een gek door de wijk die schreeuwt dat de wereld vergaat. ‘Wanneer dan?’ vraag ik hem, maar hij weet het niet zeker.
Ik kijk uit vensters, dagenlang. Mijn vensters, mijn passe partout. Daarbuiten pas ik overal.
Zij wil een kanarie nemen.

Ik droom regelmatig dat ik dinosauriërs in stukken bijt. Ik begraaf de plakken vlees en haal ze als fossielen weer boven. Ik ren naar mijn moeder om ze te tonen. Zij slaat ze uit mijn handen en zegt: ‘Etje, da’s vies.’ De fossielen breken in stukken op de tegels van de oprit.

Uit de zoo van Berlijn is een Bengaalse tijger ontsnapt. Ik heb het beest in ons bed gelegd met een dekentje erover.
Zij wil een hond.
Geslacht: mannelijk. Hormonale toestand: bronstig. Vruchtbaar, emotioneel stabiel en in topconditie.

Ik zeg nee. Dit is mijn eigendom. Het strekt zich uit tussen mijn oren. Je kan proberen te plassen tegen mijn brievenbus, mijn gevel, de tralies van de kelder, de rozenstruiken, de taxus, de buxus, de hulst. Maar let op voor stekels in je ballen. En de blikken van de buren uit vensters aan de overkant, vensters aan de zijkant. Links en rechts wat gaan snuffelen wordt getolereerd, maar men vindt dat het niet past te gaan plassen waar je niet eet.
En pas op voor mij. Hier waak ik.

Dit bericht is geplaatst in Kortverhalen, Nieuws, Werk. Bookmark de permalink.