Saffierens

Het is de derde maandag van de maand, half negen. We bevinden ons op de open binnenplaats, die in een perfect vierkant door onze appartementsblokken wordt omgeven. Tegen de verste gevel staat een podium, met daarrond een tribune in een halve maan, waarvan de achterkant net niet grenst aan de toren in het midden. Op de houten bankjes zonder rugleuning zitten jij en ik zo correct mogelijk rechtop. Wij kijken naar voren, niet naar elkaar. We voelen de controlelamp van de toren achter ons. We horen hoe de digitale klok daarboven de seconden wegtikt. Mijn billen gloeien. Mijn halsslagader bonkt. Jouw linkerhand en mijn rechterhand liggen als klauwen tussen ons in. Een paar centimeter tot aanraking.
De zitjes zijn per verdieping verdeeld. Centraal zit ’t vijfde en vanaf daar loopt het aan beide kanten af tot ’t eerste. Jij en ik wonen op ’t tweede. Dat tweede is geen goud, maar ook geen stront. Wij moeten ons hoofd ongeveer een kwartslag draaien om het doek te ontwaren dat nu nog het podium verbergt. De zogenoemde marginalen van ’t eerste kunnen het sowieso niet zien zonder hun nek in de kramp te wringen.
R van ’t eerste is er niet. Hij speelt mol voor ons. Hij opereert ondergronds. Tussen de inwoners van ’t derde, ’t vierde en ’t vijfde zitten N, S en F. Wij kennen ze van de briefjes, van het dagelijks gewriemel aan de deur, de spookachtige omzichtigheid in toilet, lift, overloop, hal. Ik vraag me af hoe ze eruit zien. Jij en ik kennen elkaar ook van de briefjes. Je moet wel blond zijn met blauwe ogen, want ik ben dat ook en de rest is dat ook. Afwijkelingen komen nauwelijks voor. Ik heb er in elk geval nooit van gehoord.
We zitten samengeklit tussen massieve gebouwen te wachten tot er iets begint.
Straks, om negen uur, mogen de bewoners elkaar bekijken, elkaar zien. Dan wordt er gepaard, in volkomen stilte. Negen maanden later wordt er geboren en bijgebouwd. Deze derde maandag van de maand is dubbel speciaal. Omdat de lente begint, heeft het bestuur het circus uitgenodigd.
Alle bewoners zwijgen. Alle bewoners moeten zwijgen. We hebben daarnet in de rij gewacht aan de deur die op de binnenplaats uitgeeft. Een voor een werden we nauwgezet bekeken, bekeurd en betast. Maar wat wij onder onze kleren verbergen is zo klein dat het door tochtspleten heen komt. De bewakers lieten ons passeren.
Bij het aanschuiven klonk uit de luidsprekers het bericht dat we alleen mochten lachen als we op het bordje “lachen” lazen, alleen mochten klappen als we “klappen” lazen, alleen mochten “wauwen” als we “wauwen” lazen. Elk ander geluid en elke onverwachte beweging zijn ten strengste verboden. Dan zouden we in blok B belanden, tussen het dagelijks geschreeuw. Als de vensters open staan, hoor ik daar soms ketens rammelen.
Het doek hangt hoog aan een ijzeren staaf die in de gebouwen links en rechts een kamer van 't vierde binnengaat. Daar beginnen de assistenten aan de katrollen te draaien. Het doek gaat op onder tromgeroffel. De zon is bijna onder.
Op de gevel recht voor ons, ter hoogte van de traphal, schiet een lamp aan die de scène karmijnrood kleurt. Uit de toren achter ons schijnt nog steeds wit controlelicht. De applausmeester met de bordjes hangt uit een raam op ’t eerste, zichtbaar voor iedereen. Wij draaien ons hoofd een kwartslag naar rechts en zien nu het toneel. Het is bedekt met een dikke laag zand. Aan beide kanten staat een nagemaakte, robuuste kerselaar. Tussen de twee bomen is een touw gespannen. Daarboven, aan de staaf waar het doek nu helemaal is opgerold, hangt een trapeze heen en weer te wiegen. Achteraan, nog half in het donker, herken ik de omtrek van een caravan. Er klinkt trompetmuziek. Het stuk is begonnen.
Er komen beurtelings vijf circusartiesten op die allemaal de mist in gaan. Een cowboy slaat met zijn lasso in het rond, raakt zijn eigen hoed die op de grond valt, vloekt en begint opnieuw. Een balletdanseres in glittertutu danst, valt neer en grijpt met een grimas naar haar voeten. Een trapezist met een hemelsblauwe cape loopt voortdurend de caravan in en uit, sjouwend met stoelen en bankjes, waarmee hij een constructie probeert te bouwen om naar zijn trapeze te klimmen. Om de haverklap stort zijn bouwwerk in. Een koorddanseres klimt met haar roze parapluutje langs de linker kerselaar omhoog en zet dan enkele behoedzame stappen op het koord. Maar ze struikelt, kan nog net het touw vastgrijpen en blijft een moment bungelen tot ze neervalt. Een jongleur gooit zijn ballen en kegels en sjaaltjes veel te hoog. Ze vallen op zijn hoofd, waarna hij schreeuwt en huilend op zijn knieën zakt. Wij moeten denken: wat een mislukkelingen. Achteraan, op het dak van de caravan, kijkt de circusdirecteur geamuseerd naar zijn falende onderdanen.
Wij lachen op commando. Jij en ik denken aan wat er onder de grond gebeurt. Wij hopen dat het hem lukt, onze R, van de briefjes, om de aanzet te geven.
De circusdirecteur zwaait met zijn scepter. Het karmijnrode licht gaat uit. Het torenlicht blijft aan. Uit de boxen achter de caravan klinkt gerommel van pauken. De apocalyps nadert. Wij hebben daarover gelezen in het handboek Praktische inleiding tot de Tabula-Rasawetenschappen dat, zodra we achttien zijn, onder onze deur wordt geschoven. De mislukte circusartiesten worden zogezegd uitgeroeid.
Als de lamp weer aan gaat, liggen de koorddanseres, de cowboy, de trapezist, de jongleur en de balletdanseres in hun blootje op de grond. Het is stil. Op het teken van de directeur staan de trapezist en de koorddanseres op. Ze kijken ongemakkelijk het publiek in. Ze hebben afgetrainde, bruine lijven. De applausmeester toont het bordje “lachen”. We lachen.
De andere drie kruipen naar achteren, waar ze onder het podium verdwijnen. De trapezist en de koorddanseres drentelen naakt rond. Ze zijn blond. Ze hebben blauwe ogen. Ze zien eruit als wij, maar dan donkerder. Ze gooien onder het stappen loden jongleerballen over hun schouders, die met een doffe plof in het zand verdwijnen. Op de plek waar de bollen neervallen, verschijnen hoofden uit luikjes. Verspreid over het toneel kruipen de cowboy, de jongleur en de koorddanseres de scène weer op. Ze worden opnieuw geboren. De zigeunermuziek zwelt aan.
Weer gaat het licht uit. We horen gestommel in het donker. Een ogenblik later zien we een manshoge maquette van onze eigen woonblokken op de bühne: vier gebouwen, een binnenplaats en een toren waaruit fel licht in onze ogen schijnt.
Ik ben maar half in de war. Ik kan me moeilijk concentreren. De circusartiesten komen met z’n vijven op en stappen nieuwsgierig rond, nog steeds spiernaakt. Ze fluiten deuntjes, stoten elkaar aan en lachen. Ze proberen hun trucs opnieuw. Alles loopt nu perfect. De applausmeester toont de bordjes “wauwen” en “klappen”. We wauwen en klappen. We moeten denken: wat een heerlijke plek is dit, wat een fris, onbezoedeld ras. Luid trompetgeschal gaat over in opgewonden gekwetter.
Zodra de klok op negen springt, weerklinkt de bekende sirene. Niemand weet uit welke toren, van achter ons of van voren, maar de sirene loeit oorverdovend. De trapezist en de koorddanseres zoeken elkaars gezelschap op. Ze gaan neerliggen. Ze kussen en strelen en likken elkaar. Vanaf de linker en rechter gevel, ter hoogte van de traphal van 't tweede, schiet zacht, magentakleurig licht aan. De circusdirecteur staat op de caravan goedkeurend te knikken. Een trombone neemt de overhand en verliest zich in aritmisch gezwalp. De koperblazers en de sirene zijn niet meer te onderscheiden. Ik krijg het benauwd.
Een minuut over negen. De bewoners in de tribune staan in golven recht. Ze trekken geconcentreerd hun kleren uit. Dan wandelen ze over de banken in de richting van het podium om zich daar aan elkaar over te geven.
Onze vingers haken eindelijk in elkaar. Wij weten dat het tijd is. Enkele minuten later blijven op de tribune vijf mensen over. Jij, ik, en S, F, N, die we kennen van de briefjes. Wij denken aan R daar beneden.
Om tien over negen horen we een knal, ergens diep in de aarde. De tribune beeft, het podium zindert. Het decor rammelt en dreigt in te storten. De trompetten uit de boxen kraken tot ze zwijgen. De sirene blijft loeien. Op het podium gaan de bewoners gewoon door. De applausmeester springt schreeuwend met zijn bordjes naar beneden, gevolgd door de twee assistenten op ’t vierde. Jij en ik, wij nemen elkaars hand vast en stappen traag naar voren. Wij voelen dat S, F en N ons volgen, schrijdend, als in een processie. Jij kijkt nu en dan om je heen. Geen bewakers. We gaan in een rij tussen de vrijende lijven op scène staan, omgeven door onze bordkartonnen woonblokken.
Er valt gruis van de gevels naar beneden. Aardebruine bakstenen schieten uit hun voegen. Alle vensters bomberen van de druk. Door de zindering is er één kant van de staaf waar het doek aan hangt uit de raamopening geschoten. De trapeze schuift diagonaal naar beneden en klieft hoofden beneden, blond en blauw. De lampen knisperen en vallen uit, ook de torenlamp.
In complete duisternis trekken de vijf circusartiesten zich van de massa kronkelende ledematen los. Ik zie onder hun armen de contouren van allerlei voorwerpen. Het lijkt alsof ze even naar ons kijken. Dan rennen ze over de binnenplaats in de richting van de uitgang. Er zijn geen bewakers om hen tegen te houden.
De vensters barsten, als afgesproken, allemaal samen open. Het regent scherven. Wij zien onszelf scherp ééntweedrieviervijfdubbeld. Daaronder een basso continuo van stormgeroffel. Onze fundamenten daveren.
Ik kijk in het geniep naar de tweede verdieping. Je neemt mijn rechterhand vast. Wij, met z'n vijven, zoeken met onze linkerhand onder onze kleren langzaam naar de knopjes. Ik kijk naar je. Voor het eerst. Ondanks het donker zie ik je kastanjebruine ogen. Ik zie je kastanjebruine haar. Je bent een afwijkeling.
We drukken. Eén-twee-drie-vier-vijfvoudige knal. Onze toren gaat neer en verdwijnt compleet in eigen stof. Duizend sirenes. Duizend bonken in mijn oren. Ik heb niet eens iets gevoeld.
Ik zie ons rennen in de richting van de uitgang, als circusartiesten, tot we neervallen. In het zand dat ons in een vierkant omringt, liggen een lasso, een tutu, een cape, een paraplu en ballen en kegels en sjaaltjes. Uit een luik in de planken vloer komt een hoofd naar boven. R, denken we, van de briefjes ondergronds, die blond is met blauwe ogen. De zon is aan het ondergaan.
’t Is de derde maandag van de maand, kwart voor negen. We hebben nog nooit voor zoveel volk gespeeld.

 

Dit bericht is geplaatst in Kortverhalen, Nieuws, Werk. Bookmark de permalink.