Apparaat D (fragment)

 

In het midden van kamer zes miljard negenhonderdnegenennegentig miljoen negenhonderdnegenennegentigduizend negenhonderdvijfennegentig zit een jongetje op een stoel. Links staat een hoge kleerkast, rechts een schrijftafel. Aan de overkant tegen de muur een bed met witte lakens. Achter een laag muurtje een groene emmer. "Om in te pissen en te kakken", vertelt hij zijn moeder als ze bijna nooit op bezoek komt.
In de gang sterven de sprongen van een hinkelspel weg in de verte.
De jongen staat ergens op een weiland buiten de stad en kijkt naar boven. Hij spreidt zijn armen uit. Zijn hielen komen van de grond en met zijn tenen zijn hele lichaam. Hij vertrekt naar boven, eerst langzaam en daarna steeds sneller. Hij stijgt tot hij met zijn hoofd tegen een plafond botst van glas. Zijn nek schuift tussen zijn schouders, zijn kin raakt zijn borstbeen. Zijn neus wordt een snavel, zijn ogen kleuren donkergroen. Er groeien vleugels uit zijn rug, langs zijn schouderbladen en zijn armen naar zijn handen, die in de veren verdwijnen. Zijn tenen worden klauwen. Uit zijn bilspleet waaiert een pauwenstaart. Hij draait zich horizontaal en begint te vliegen.
Hij kijkt naar beneden en ziet vrouwen die kinderwagens voortduwen, mannen daar achteraan met winkeltassen. Hij ziet pubers op scooters. Hij hoort getoeter, gejank en geruzie. Hij ziet oude mannen op bankjes in het park met een pijp in hun mond. Hij moet kerktorens en kasteeltorens en gemeentehuistorens ontwijken. Tegen de onderkant van de belforttoren op de grote markt plakt een vrouw. Ze kijkt naar boven, met haar armen wijd en haar handen open.
Op de hoek van de straat vraagt de ene zwangere vrouw aan de andere: “Voor wanneer is ’t? En zijn naam? Oh, Diederik. Da’s mooi.” Maar ze vindt van niet.
De jongen ziet graspleinen en buitenverblijven, vangt de geur van barbecues in zijn maag. Daarboven hangen vraagtekens over hoe het is op school en of je wel genoeg punten haalt om later veel geld te verdienen voor de familie.
De condens van de wolken blijft in druppels op zijn veelkleurige veren dansen. Het zijn perfect ronde kristallen.
Hij raast de stad voorbij, de buitenwijken voorbij, de steenwegen voorbij, tot hij een rivier ziet verschijnen die een zandvlakte in tweeën snijdt. Aan de horizon mondt de rivier uit in een vijver die ooit een krater was. Daarlangs: een slingerend lint van reusachtige kerselaars.
Hij duikt naar beneden in het water en blijft vliegen net onder het wateroppervlak. Hij slaat met zijn vleugels alsof het vinnen zijn, zwemt voort, komt even boven om te ademen en duikt weer neer.
In de diepte ziet hij blauwe vingercactussen, paarse dennentakken, elfenbankjes in roze, gele, groene trossen bij elkaar, zandkleurige bultige ruggen, wulpse krommingen en donkere holtes die gangen verbergen.
In holte zes miljard negenhonderdnegenennegentig miljoen negenhonderdnegenennegentigduizend negenhonderdzesennegentig zit een meisje te huilen. De tranen vormen een plas onder haar stoel. Ze maakt er een tekening in met haar blote tenen. Ze tekent de klop van een vuist op een poort.  Ze bibbert. Ze heeft geen valies bij zich.
Tussen de bomen naast de paardenmolen brandt een kampvuur waar vier silhouetten zich aan verwarmen.
Ze klopt opnieuw op de poort en wacht tot zuster Danielle komt opendoen. De moeder van het meisje heet ook Danielle. Zuster Danielle zegt: “Welkom”, met dezelfde toon als wanneer mama Danielle haar zei: “Jij bent niet geboren, jij bent gebarsten.”
Als je goed kijkt, kun je stukjes schaal uit haar huid zien steken.

Dit bericht is geplaatst in Boonyi, Kortverhalen, Werk. Bookmark de permalink.