Eén twee drie legato

Eén.


Ten tweede zul je me aankijken vanonder die donkerbruine oogleden, weifelend denken in fonkelend rood, om uiteindelijk ‘kom gewoon mee’ te mompelen. Het vraagteken moet ik er dan maar bij denken, alsof ik altijd al vooraf weet wat je bedoelt. Het is een feit dat wij in het diepste van jouw ziel gewoon hetzelfde zijn en daardoor onafscheidelijk gescheiden en onvoorwaardelijk verliefd. Maar dan nog.
Terwijl ik de dingen door te denken weer te complex maak, beslis ik om met mijn hart te antwoorden. Dat ding dat zo hard bonst als ik naast je lig en meestal zelfs in de weg zit. Maar denken en harten zijn van die dingen die niet zonder elkaar bestaan. Zo is dat nu eenmaal. Of niet? Ik betwijfel het of ik ooit met mijn hart zou kunnen antwoorden. Die heeft tenslotte geen mond. Of wel?
‘Neen’, zal ik zeggen, voor de zevenendertigste keer, want geen haar op mijn hoofd denkt eraan om, overigens op de meest primitieve manier die er bestaat, de puurheid, de blinkende piëdestal, de ongenaakbare diamanten troon van de zelfcontrole neer te halen. Dat is hoogverraad, zeg ik er nog bij, maar dat woord zal ze niet kennen. Dat woord zal je niet kennen. Je kent niet veel.
Een beetje zoals de vierde pilaar van de hemel afbreken, zodat die op je kop valt.
Ze zal lachen, maar ook die woorden zal ze niet kennen. Ze zal hoogstens ‘da’s toch leuk, dan ligt de hemel op aarde’ antwoorden, zonder erbij na te denken dat we wel allemaal vermorzeld zijn.
En we zullen kussen om al het andere verlies te vergeten. Ik zal dromen dat het niet zo is.
‘Het is gewoon een beetje dansen’, zal ze eraan toevoegen, ‘in een discotheek.’ Ook de kus ben ik al vergeten. Ook de kus is nu al verloren, verleden.
Gewoon een beetje dansen? Ik heb er nu al genoeg van. Zomaar een beetje dansen. Dat heeft toch geen zin. Wat ik doe, dat heeft pas zin. Elke week opnieuw, in dat gebouw met die hoge ramen. Veertig. We zijn met veertig en we doen dingen. Ze zal geen flauw vermoeden hebben, omdat ze niet veel weet.
Dan fronst ze, slaakt een diepe zucht. Vervelende gozer. Ze legt haar haren in de plooi. Ze zijn gemaakt van kastanjes en gepolijst ebbenhout. Ze ziet dat ik dat denk en ze schrijft het op in een boekje, met een soort opdringerige sierlijkheid. En nu schrijft ze niet meer. Ik schrijf haar.
Of niet.
Het enige wat ik wil beslissen is om niet te beslissen. De leegte van mijn zwijgen is dan maar lekker haar probleem. Of zoiets.
Ik hou van haar. Pastiesj. Echt waar. Van jou, Pastiesj.
Als de nacht zal vallen, ben ik toch allang verdwenen. Ze zal niet eens merken dat ik er ooit geweest ben, en als ze het per ongeluk wel merkt, dan neemt ze alvast gauw haar toevlucht tot iets of iemand anders. Zo zal het zijn. En de kloof zal gewoon een kloof zijn. Niet meer en niet minder. Een kloof is geen kloof als je die zelf met houwelen in het landschap van de bitterheid hebt gekliefd. Zweet en rood woestijnstof op onze gezichten. En passie. Veel porties passie, als water op jouw tong en ik zal het proeven. Niet meer en niet minder.
Als het te veel is, zegt u ook maar wat. Zeg ook eens iets, verdomme.
Kom ik mee?
Moet ik met haar meegaan als ik van haar houd. Of komt zij…met mij mee. Het vraagteken moet je er maar bij denken.
Vandaag de dag is het onmogelijk om te spreken zonder te zeggen wat je allemaal niet bedoelt.
Ik sta op, schuif mijn stoel onder tafel en trek mijn jas aan. ‘Ik moet vertrekken.’
En weg ben ik. Ik ben liever alleen in vrijheid dan gedwongen samen. Al is die tegenstelling ongelofelijk achterhaald.
Ik verdwijn tussen de eenzaamheid van al die anderen, om de erotiek van de smekeling te vergeten. De smekeling die jij bent geworden. Omdat je niet beter weet.
Zeg ook eens iets. Als het te veel is, zegt u ook maar wat. Doe gerust.

Twee.


Met drieëntwintig liepen ze achter ons aan. We vluchtten de brousse in, alsof het daar veiliger was. Schuimbekkend, de hel in hun ogen, sidderende lendenen en machetes. Geoliede zwartheid, esthetische ruwheid en goesting. Veel goesting.
Opwaaiend, rood stof waar hun voeten neerkomen, en plof plof , wij met onze magere buik in het gras aan de zijkant. Het snuift onze ribben als cocaïne. Zinkt, zinkt, zinkt. Bedwelmd.
Niet ademen, niet ademen. We moeten doodgaan om niet te sterven. En dan verder om weer even te leven. Even.
Ik moet stoppen om te braken, want haar gal komt bij mij omhoog. De vlam in de pijp. Haar schichtige ogen die ontploffen van een bevreemdende angst. Een fractie van een seconde vind ik die angst onwaarschijnlijk opwindend.
Ze hijgt, ze brult, ze schreeuwt. Maar het monster kan niet naar buiten, nestelt zich in onze lege maag en port met zijn lange vingers, met zijn bewierookte nagels een gat in ons darmkanaal. En de zenuwen zijn nog sterk genoeg om onze gedachten weer op rennen te brengen. Pijn doet wonderen. Het monster stuurde ons, navigeerde het schip van onze lijfelijkheid richting onzeker doel. Het monster zat ons veel te dicht op de hielen. Dat zeker.
Ik kon het niet laten om te verlangen naar vleugels.
Toen dook jij het water in, maar het was geen water. Het was een deinende massa dromen die je gestalte reduceerden tot belletjes aan het oppervlak. Ik dacht aan Pan en Syrinx. Waar ben je, dat ik je heerlijke billen tegen mijn onderbuik kan voelen.
Toen kreeg ik een klap in mijn nek en ik hoorde hoe jij schreeuwde, opnieuw en opnieuw, alsof iemand je aan je voeten uit een moeras sleurde en met tegenzin verkrachtte, alsof hij verplicht werd. En ik proefde met weerzin het hijgen van rollende tongen in mijn neus, alsof iemand mijn rechteroog uit zijn kas sneed en het bloed opdronk dat naar beneden liep en een boterbloempje achterliet.
Daar, op de fundamenten van een wazige herinnering. Daar, toen alles begonnen was. Daar, waar alles ook eindigde. Voor ons. Madoc. Fleur.
Fleur, Fleur, Petit Beurre, Fleur, Fleur, Petit Beurre.
Ze zeggen dat het voelt als vallen in een diepe put. Maar ze zeggen zoveel. Ik voelde helemaal niets.
Mijn gedachten waren dood. De jouwe ook. Maar ons lichaam ademde nog, ging op en neer. Voor de pijn terugkwam en ik weigerde om mijn ogen te laten zien wat er gebeurde. Daarvoor waren we een klein beetje gestorven.
Nu niet meer. Ik heb je toen gedwongen om te kijken. En je keek. We lagen neer. Gebonden.
Je zag niet wat er gebeurde, je voelde het alleen maar. Ze hadden je ogen dichtgeplakt met gekookte hars.
Neem een milliliter pure alcohol. Voeg de hars toe. Gebruik bij voorkeur hars uit naaldbomen. (Hier komen geen naaldbomen voor. Of wel?) Meng met een weinig water. Voor consumptie: voeg een koffielepeltje suiker toe. Voor plakgebruik: voeg bij voorkeur geen suiker toe.
En dat was dat. Bomen produceren hars als iemand een kloof in hun bast heeft geslagen. Om te voorkomen dat allerlei virussen hun leven in gevaar zouden brengen.
Bescherming wordt al snel verdoken vernietiging.
Als mijn rechteroog kon kijken, had ik mijn schriftje genomen.
Je leek een beetje op Oedipus. Ze hadden je tepels bedekt met boterbloemen. Met de bovenkant ervan. Ik bedoel, het deel zonder stengel. Hoe heet dat ook alweer?
Maar ik zag je niet, omdat ik weigerde om te kijken. Je benen lagen open en het stof onder je billen leek roder dan anders.
Fleur, fleur, Petit Beurre, Fleur, Fleur, Petit Beurre.
Iemand maakte een vreemd geluid met zijn tong. Tussen boterbloemen en stoffige roos in het zand, stond een kaars te branden. Iemand zong. Je haren werden afgeknipt. Iemand speelde op een tamtam. Het werd heel snel donker.
Ik hoorde de regisseur zeggen dat de duisternis van het tafereel versterkt moest worden door een donkere hemel. Voor het effect van de kaars. Als een Caravaggio.
Je kreunde. Ik kreunde terug. Nog voor ik kon besluiten dat we dit allemaal niet verdienden, stikte ik in mijn speeksel. Of was het hars? In ieder geval, in mijn hoofd werd het even donker als op scène.
Enkel de kaars brandde nog, en het hout van hun diepste gedachten.
Fleur, Fleur, Petit Beurre, Fleur, Fleur, Petit Beurre, in een aanstekelijke cadans.

Drie


‘Ze zeggen dat het voelt als vallen in een diepe put.’ Vier keer.
Mijn broer aan het woord. Hij is een…eum… Hij is een neger. Of ja. Een zwarte.
Of hoe spreek je zonder te zeggen wat je allemaal niet bedoelt?
Hij is niet blank. Voilà. Klare taal, duidelijke taal. Zolang het maar helder is voor jou, lieve.
Lieve Mirabelle. Ik doe mijn best. Altijd. Zoals altijd doe ik mijn best. Je kent Gabriel nu toch al.
Want ik weet dat in de…euh…aardedonkere grot van het leven de…eum…zoektocht naar de gloeiende kern niet…tevergeefs, vergeefs? is.
Doet men dat? Een verhaspelde brief schrijven alsof hij uitgesproken wordt. Met intonatie en alles. Zo, als het ware, om het werkelijkheidseffect te vergroten, zodat men aan de andere kant denkt dat ik aanwezig ben.
Ben ik nog bij jou aanwezig?
Mbaka vraagt dus: ze zeggen dat het voelt als vallen in een diepe put en wat ik daarvan denk.
Ik heb nooit veel moeite gedaan om te denken. Dat weet jij, Mirabelle, maar hij niet. Hij gaat ervan uit dat ik zinnige dingen kan zeggen zonder te stamelen, als een – hoe noemt men dat? – wijsgerige, met grootspraak, dialoog en abstracte vormen in de lucht die als vormen ook een hemel vormen waar onze ziel slechts in beperkte mate bij kan.
Hij vergeet dat ik kiezelstenen in mijn mond heb, maar daar niet genoeg mee heb geoefend.
Op het strand met zilte zeelucht over mijn kalende knikker en meeuwen die schreeuwen dat het beter moet, en verder niets, niemand. Da’s ook iemand. Het razen van de wind en hij, of neen, en ik die mijn eigen laarzen tot aan de rand vol vloek.
Geloof jij dat? Hoe heet die weer? Demosthenes?
Mijn jas sluit niet nauw genoeg aan. Het is koud, vrieskou zelfs. Ik kruis mijn armen en geef hem een duw zodat hij de straat oversteekt. Het wit van alle gebouwen rondom ons is groen geworden, als een vervuilde beek.
Ik zeg dat ik denk dat dat afhangt van het hoe (namelijk het waar en wanneer) en het wie. Dus dat het samenhangt met de omstandigheden en verwikkeld is in een netachtig systeem van decor, protagonisten, antagonisten, licht, geluid, oorzaak en gevolg.
Hij knikt, omdat ik volgens hem niets heb gezegd. Ik was vergeten dat hij geen Nederlands spreekt.
Je pense que cela dépende des circonstances et que cela soit euh mélangé (comme on mélange des légumes pour préparer du potage) dans un système de décor, protagonistes, antagonistes, lumière, son, cause et effet.
Ah oui. Maar ik heb nog steeds niets gezegd. Ze noemen dat afasie.
De ervaring van het vallen is dus telkens anders?
Ik denk het.
En die put? Is die ook telkens anders?
Dat zal wel. Ik ga ervan uit dat iemand die vermoord wordt dieper valt.
Waarom?
Omdat hij minder schuld heeft.
Dus ik ben schuldiger dan mijn slachtoffer.
Vraagteken? Ja, als jij een moordenaar was, ja.
Vreemd.
Ze zeggen dat de put kleiner wordt naarmate je moreel gevoel kleiner is.
En als het slachtoffer ook een moordenaar is?
Dan vallen ze allebei even diep.
En als je in je droom valt? Dan ga je eigenlijk een klein beetje dood.
Zoiets. Maar je wordt weer wakker.
Gelukkig.
We openen een deur. Er brandt licht in de verte. Een donkere gang.
Zo zou het ook kunnen zijn hé. Een donker gang waar je doorheen loopt. In de richting van het heldere licht van de hemel. Ik knik van ja en laat hem voor gaan. Zijn roodbruine wangen blinken in het zachte schijnsel. Hij doet het geluid van een uil na om me bang te maken.
Ik weet niet wat ik met hem zal doen. Hij is tenslotte mijn broeder.
Hij maakt me niet bang. Ik denk alleen maar dat ik me er gemakkelijk vanaf heb gebracht.
Wat denk jij, Mirabelle? Nu ik hier stap voor stap dichter kom bij een nieuwe deur die zal leiden tot een nieuwe deur die op zijn beurt zal leiden tot een nieuwe deur die zal uitkomen op een trap die zal uitmonden in een zolder waar ik zijn haren zal knippen en de naalden…de naalden…? Is het niet wonderlijk.
Is het wonderlijke niet mooi, Mirabelle. We zijn met veertig en het rottende hout kraakt onder onze zwarte laarzen.

Dit bericht is geplaatst in Kortverhalen. Bookmark de permalink.