Febris

Ik was radeloos de weg kwijt, klom altijd de berg op in plaats van het pad te kiezen dat er omheen liep. Na een poosje voel je de spieren in je kuiten verkrampen, voel je de neiging om even op een rotsblok uit te blazen, maar weersta je die drang omdat je bovenaan door iemand opgewacht wordt. Je voelt je aders bonken in je slapen. Er is niemand in de buurt die je aanspoort. Ze hebben je allemaal alleen gelaten, liggen zich lazarus te zuipen in de herberg, daar beneden, waar de hoek die de flank maakt plots scherper wordt. Het begint te regenen. Je snottert en snuift. Mijn haren worden nat. Ik heb haast geen kleren aan mijn lijf. Als ik naar beneden kijk, zie ik het vocht schuimbellen maken op de veters van mijn schoenen.

Je ziet zelf wel hoe bevrijdend het kan zijn als iemand je na enkele uren opraapt en naar boven draagt.

Maar da’s een ander verhaal.

“Febris” vertelt het verhaal van Annabelle, een jonge twintiger, die op een nacht besluit om te verdwijnen. Ernst en Ronald, twee van haar beste vrienden, vatten het plan op om haar te gaan zoeken. Hun nachtelijke zoektocht wordt herleid tot een onbestemd ploeteren in de krochten van hun eigen gedachten en transformeert tegelijk in een hoopvolle poging om Annabelle, in al haar hoedanigheden, radicaal te begrijpen. Aan de hand van flashbacks en aan de hand van een nauwgezette beschrijving van al wie haar omringt, wordt de lezer meegesleurd in een persoonlijkheidscrisis die langzaam duidelijk wordt en tergend traag van zijn sluiers wordt ontdaan. De sinistere figuur van Panter, die de touwtjes in handen lijkt te hebben, moet wedijveren met de gespleten mannelijkheid van Ernst en Ronald, die in Annabelles hoofd samen de perfecte Hercules vormen, en met de tirannieke haat die binnenin Clowee en Monika, twee vriendinnen, welig begint te tieren. De vraag blijft wie werkelijk de gang van zaken aanstuurt. De lezer wordt niet beloond met een hapklaar antwoord, maar hoort na afloop een fluittoon ter hoogte van de linkerslaap, die doet denken aan Judas’ fluisterende verraad, aan de waanzin van Nero tijdens de brand van Rome en aan het piepen van oude leidingen in dampende gaskamers.

Ma, pa? Ze zeggen dat de duivel niet bestaat, maar net als God een beetje in elk van ons verscholen zit. Maar da’s toch niet waar hé?

Dit bericht is geplaatst in Kortverhalen. Bookmark de permalink.