Malice

[Ze wacht ergens op. Ze spreekt niet. Lijkt verlamd. Dien een lichte dosis toe. Breng haar daarna terug naar haar kamer, als je wil. Ik noteer: kwijl, overmatig vaginaal vocht, hevige transpiratie.]

De mensen in de hermetisch afgesloten ridderzaal schuifelden op hun stoel. In de brief had er gestaan: zes uur. Klokslag zes. Geen enkel zieltje, ook de pedante boerenmeid niet, had met zekerheid kunnen zeggen hoe laat het was. De stand van de zon verried niets. Dat was de schuld van de heerser: hij bezat de kracht der kosmische manipulatie. Als plaatsvervanger van god op aarde had hij dat privilege geërfd. De weergetijden hingen niet meer af van de gemoedstesteldheid van de inwoners, maar van de willekeur van de heerser. De tijd was rondjes aan het draaien, en we wisten allemaal hoe laat het was.
Links over rechts, met geveinsde irritatie naar boven, links en rechts kijken. Glas voor de zesde keer schikken. Water schenken. Iemand staat op, loopt naar de toiletten, kotst er zijn ziel uit zijn lijf – van de spanning, zegt men – of zit er iets in het water? Niemand drinkt vanaf dan nog van het water.
Ik herkende enkele gezichten. De belangrijke gezichten. Ze stonden ruwer, griezeliger dan voorheen – de contouren scherp afgelijnd in het schemerige licht. Ik had ze afgeperst, bedreigd, gechanteerd tot ze in hun tranen dreigden te verzuipen, om ze deelgenoot te maken van het gebeuren, maar zo – zo kende ik ze niet. Hoewel ik ze voldoende had gewaarschuwd voor het grillige karakter van de hele bedoening. ‘Je zult een brief krijgen – we wachten op de koning – de eremedailles – het feest – de nar.’ Het gebeurt bij de nar. De volgorde kan mogelijk lichte afwijkingen vertonen. Maar het gebeurt bij de nar.
En toen verschoof zijn hand voor de tweede keer – mijn meester. Ik voelde de messcherpe nagels naderen, ze lieten kuiltjes achter in mijn melkwitte huid. Kraters in mijn billen. Meteoriet, verbrand in de atmosfeer van mijn verlangen, en nagloeiend waar ik het graag heb. Ik wou gieren van het lachen en me wentelen in lusten, onlusten en zeven modderbaden tegelijk. In plaats daarvan kuchte ik, schraapte mijn keel. Een duivelse dorst deed mijn darmen samentrekken. Er is iets met dat water. Het snuiven van zijn rattensnuit deed mijn nekharen overeind staan. Hij fluisterde dingen die ik niet verstond, kwijlde zeven dikke druppels op de kraaknette vloer. Ik wist niet wat zijn bezoek betekende. Louter steun? Steun in moeilijke tijden. Ja. Ja. Om samen met de spanning de prestatie te verhogen. Hij greep in mijn kruis toen de grendel uit het slot sprong – DE KONING. Hij priemde met zijn hoorns tussen mijn rugwervels. ‘Your time to shine, sugar.’
Zodra de koning drie stappen had gezet, sloeg de klok zes. Toeval? Twee keer drie is zes, dacht ik. God en de duivel, twee kanten van dezelfde medaille, en vanavond hier verenigd. Ik dacht ook aan groene weiden, aardbeien en parende merels, en voelde de blikken van mijn kompanen cijfers branden in mijn voorhoofd.
Your time to shine.
Tussen het rinkelen van het belletje daarnet en de aankomst van de koning zaten welgeteld veertig seconden. In die veertig seconden kon ik al die dingen denken zonder veel moeite te doen en hadden mijn helpers voldoende tijd voor de metamorfose, die telkens weer door de koning verwacht werd, althans voor officiële aangelegenheden. Zoals anderen bogen, zo muteerden de mutanten. Als eresaluut. Uit respect.

******

[Hinter meine Augen stehen Wasser. Ik noteer: het uitbrengen van zachte klanken, voornamelijk open klinkers en tweeklanken, het resultaat lijkt op dooreen geschudde Duitse verzen.]
Dit bericht is geplaatst in Kortverhalen. Bookmark de permalink.