Tussen vlek en droesem

Gij zegt, ik kom wel even, en gij komt, omdat dat fijn is en verkwikkend, als een zoete droom.

En als wij dan samen neerliggen in het gras, dan gebeuren de dingen, omdat die fijn zijn en verfrissend, als regen in het donker. Uw hete adem in mijn tintelende nek en dan die geur, verdomme, dat parfum dat doet denken aan vervlogen tijden en zonnige dagen; jurkjes en bloempjes en goesting. Veel goesting in een broek die snel af moet.
Gij zijt gelijk een drug waar zelfs de meest doortrapte ziel niet vanaf geraakt. Die ziel, die hebt gij in de boeien geslagen. Uw ziel is mijn ziel geworden, daar, op de groene weide die de houten planken van de weemoed bedekt en die ons in beesten verandert. Wij kijken toe en zien dat het goed voelt. We ruiken dat het goed is. We voelen dat het goed is en we proeven, proeven, proeven elkaar zonder stoppen. Mijn tong over uw egale huid, heen en weer, als een lucifer over het wit van melk; vingertoppen begraven zich in het zachte dons van een jonge zwaan. Het begin is hoopvol, het einde teleurstellend. Pijnlijk, bijna, zoals dat vlees dat ge van mijn knieën hebt gebrand, in het vuur van het spel.
En als gij uw oor op mijn hart te luister legt, dan hoort ge hem tekeergaan als een wild zwijn, als een bronstige flamingo die zijn evenwicht verliest omdat hij geen raad weet met hevige emotie.
Als de vroege ochtendnevel zijt gij, en gij zegt bedwelmd, bedwelmend, dat gij wel even blijft ook, omdat we geen einde willen. Geen teleurstelling. Een verbond waarin we onszelf kwijtspelen. Een ritueel van geven en nemen, winnen en verliezen, invullen en wegvagen. Lieve woordjes die je aanraken en dan betasten, hunkerend als naar een langverwacht geschenk. De klok tikt, maar wij horen het niet door de constante verwarring. De tijdloosheid van het nu. Het zinderen van leven door lijven die in stilte verstijven. De warme gloed breekt door de wolken, verlicht onze versteende gezichten.

Door u, met u en in u, zal mijn naam geprezen zijn.

Zo begint het altijd, als het gevoel vers is. De geur van koffie na een lange nacht. Verliefdheid als rood snuifsel. Herontdekking van verloren gewaande energie.
Maar al snel is het te veel omdat het te weinig is. Omdat het te licht is. Dan slaat de realiteit met een hamer op je kop, op mijn blonde haar dat verkleurt omdat ik me plotseling oud voel. Dan doe ik domme dingen om te vergeten wat ik verloren ben. De leegte wordt zo werkelijk, zo vol, dat ze littekens slaat in je onderbuik. Het lijkt alsof je twaalf miljoen toertjes rond de wereld loopt en net zo moe bent als een vrijdagavond die alle mensen in zijn canapé verzamelt.
Gij huilt. Ik zucht, leg mijn hoofd in mijn nek en staar drie minuten lang naar het uitdijende plafond. De kamer is lager dan anders, verstikt ons in tranen en tabaksrook. Er brandt geen enkele kaars. Losse lettergrepen, onsamenhangend, drijven mijn rechteroor binnen in een wervelend gejammer, maar ik nip schijnbaar zorgeloos van mijn wijntje. Dauwdruppels op mijn handen, de muren ademen spanning uit al hun poriën. Ik staar haar aan. Ze huilt verder, omdat ik zo weinig zeg. En die woorden dan, hierboven? Betekenen die woorden dan niets? Dat vraagt ze, maar niet zo vlot als u ze leest. Verhaspeld, als een brief met zoute inktvlekken. Zo vraagt ze het, en ik zeg: ja, die woorden betekenen veel te veel. Geef me papier en er stromen duizenden letters in honderden combinaties uit mijn vingers. Ze zijn allemaal zo oneerlijk dat het moeilijk is om nu niet te liegen.
Heb ik dat gezegd? Gij staat in elk geval recht en spuwt op mijn tapijt uw afkeer uit. Dat ben ik. Kots op een tapijt. Een fluim. Ik ben niet schuldig. Ik ben niet beschaamd. Mijn hart pompt gevoelloosheid, geen bloed. Dan slaat ze achteloos de fles Bordeaux van de salontafel en glimlacht alsof de treurnis haar benevelt. Het rood gulpt de nek uit, dringt door de vezels van het tapijt, vormt een bronnetje op het hout van de weemoed, en vlekken. Veel vlekken. Dampend en verschroeiend, de tranen van gevallen engelen bijten happen uit de rafelige stof.
Bont van loopse, groene bizons.
Waar is het begonnen, wanneer en hoe. Ik kan het me niet goed herinneren. Iets met kreeft, veel te veel alcohol en kroonluchters. Sierlijk gedrapeerde, donkerpaarse gordijnen. Massieve zuilen met bovenaan van die kitscherige cherubijntjes, lonkend, vermanend bijna. En gij waart er ook, natuurlijk. De aarde weigerde haar wenteling als wij niet samen waren. We gehoorzaamden en zorgden daarmee voor het voortbestaan van alle mensen. Dat maakten we elkaar wijs. Net zoals we zo hartelijk konden lachen als we voor de honderdste keer “gordijn” luidop zeiden. Na een tijdje leek het een surrealistische familienaam voor een professor uit een gedateerd stripboek.
En toch wordt het plots tijd voor de stilstand en het zwijgen van het moment. Zo is dat.

Waar zal het eindigen, wanneer en waarom. Hier, in deze ademloze, donkere kamer, op dit eigenste moment, gewoon, omdat ik mijn hart niet lang kan verpanden zonder het te missen.
Gij zult uw weg gaan, en morgen ontmoet ge iemand anders. Ge slaat met de deur en even later ligt ge in bed met een vers glas en zeven vriendinnen die zeggen hoe duivels ik wel niet ben. Hij is je verdriet niet waard, liefje, vergeet hem. Veel betekenisloze gebaren en gezichten in de passende verontwaardigde plooi. De grappige rosse zegt dat er veel vissen zwemmen in de zee.

Ik zal in mijn canapé wegzinken zonder de bodem te vinden. Spartelen in de drek zonder te beseffen dat het drijfzand is. Geen droesem. Geen bezinksel. Ik drink en drink, en de zoektocht wordt de zin.
Totdat iemand een touw in de diepte gooit en alles opnieuw begint.

Zij zal vragen om te komen en ik zal er geen moment over twijfelen. Wat zei ik alweer over verpanden? Iets met koffie, snuifsel en goesting. Veel goesting. Je hart pompt weer bloed. Een wild zwijn. Je vergeet te roken en cherubijntjes zijn weer schattig. De bizon snuift luid, de flamingo vindt tot zijn ontsteltenis zijn evenwicht terug.
Alles begint opnieuw.
Duizend stenen, duizend kloven in je kop. Duizend vernielde gazons en schaafwonden.
Ik word gewichtloze drab in de hals van de wereld, koop graszaad in de vroege lente, strooi mezelf uit.
Witte vlekken op de aarde die rood is als hun ogen.

Dit bericht is geplaatst in Kortverhalen. Bookmark de permalink.