Poulet Alimal

A/ tevreden in onvrijheid (stilstand/midden) -> ontevreden (rondlopen) -> wil uitbreken (droom/venster)

Mijn moeder zei : jij bent een steen en een steen kan nergens heen. Keer op keer, met zo’n zweem van een soort griezelige glimlach. Ik dacht, een steen kan ook een trotse rots zijn, en dat er bij wijlen gewoon wat meer wind nodig is om die ergens te krijgen. Ik wil graag dat kieken pakken, maar het lukt nooit. Het was een gezelschapsspel: kiekenvanger. Ik wil dat kieken pakken. Ik bleef het maar schreeuwen als ik kwaad was. Mijn moeder wist niet wat ik bedoelde, en ik ook niet. Toen zeiden ze dat ik adhd had. “Ze wil gewoonweg kiekens vangen, niets mee aan te vangen”.

B/ gelooft in illusie van vrijheid (rondlopen) -> wordt ontmaskerd (droom/venster) -> resulteert in stilstand (midden)

Ik heb mijn pijlen verschoten toen ik besloot om graag te zien. Ik zie je graag, zei ik traag, omdat het tot me door zou dringen. Gij zijt een arend, zei mijn ma, terwijl ze een speelgoedje omhoog hield. Het was een vliegende dino. Over de baren zult gij vliegen en de vissen zullen pissen in uw bek. Da’s vrijheid. Een kip heeft es op mijn tong gekakt toen ik haar wou inslikken. Het ging niet. Ze vloog weer weg. Da’s vrijheid. Ik ben een arend, en als ma van de markt geen gebraden kip mee had, huilde ik tranen met tuiten en sloeg ik zonder stoppen met mijn blote handen op de witte vloer. POULET POULET POULET – tot ik ouder werd en niets meer begreep.

C/ droomt over vrijheid (venster) -> overtuigd van de droom (stilstand/midden) -> vermoordt zichzelf in de droom (rondlopen)

De pientere ziener, de dromer die zag wat komen zou. Ik heb eens ’s nachts liggen denken aan een flamingo zonder poten en de volgende dag zag ik er één. Het was een merkwaardig zicht, echt waar, en als het een kip was geweest, had ik haar gevangen. De volgende dag droomde ik onder de vlierbes dat ik die kip in mijn kamer had en dat ze sprak als een papegaai. Ik werd wakker en ik hoorde de echo van mijn vaders gescheld weergalmen in de zomerbries. “Hoer, je bent een hoer” – “hoer, je bent een hoer”, zo tegen mijn ma, en nog een heleboel andere snertwoorden. Vervelend. Heerlijk kippetje, schatje van me. Waar ben je? Ik heb je gevangen in een bevangen verlangen om er altijd voor me te zijn. Uit mijn pennetje vloeit een hennetje, ik schrijf je neer op gelijnd muziekpapier, claustrofobisch, en ik noem je mijn vriend. Hugo. Mijn vriend Hugo.

A/ Waar is ze?

B/ Waar ben je?

C/ Waar zijt gij?

samen: Waarom blijven wij?

A/ loopt nu rond

Toen werd ik ouder, en werd mijn hart kouder, als een steen bevroor ze en het leek alsof ik niet meer kon bewegen. Kiezen is verliezen, kiezen is verliezen, kiezen is verliezen. Het spookte door mijn hoofd, keer op keer, op en neer en dan weer. Ik had jaren niet meer aan kiekenvanger gedacht, omdat van gezelschap weinig sprake was. Alles werd intern, mijn wereld een verharde binnenwereld. Ik sprak niet meer, ik at lucht en als ik dorst had, nipte ik mijn eigen aderen leeg. Je weet wel, als je je armen uitstrekt, raken de puntjes van je vingers de grens van je eigen kleine planeet. Ik was veilig en doodsbang.

B/ aan het venster

Ik ben in gedachten eens die arend geworden die een vliegende dino was en ik lette op de pijnlijke verschillen tussen het beeld van mezelf en mezelf. Da’s normaal, zeiden ze. Ik was niet die liefhebbende vogel met die poulet in zijn bek, die zijn blik zo scherp kon stellen, die alles zag en alles kon, die dook over bergen en dalen en schreeuwde van geluk en sliep met een gerust gemoed en wakker werd met goesting om te kiezen wat er zich aanbood en altijd juist te zijn in die keuze. Mijn moeder stierf, en ik vergat de gebraden kip. Het deerde me niet. Ik leerde op school vanalles over de vrije wil, en de arend werd getroffen door losse flodders. Iemand had het geraakt in de plastieken maag.

C/ in het midden

Hugo memoriseerde alles. Alsof zijn oren opnames maakten en die dan door zijn mond werden afgespeeld. In de kamer naast de mijne, waar mijn ouders sliepen, was er altijd veel kabaal. In mijn dromen niet. In mijn dromen zeiden ze lieve dingen, fluisterden ze zoete woordjes en streelden ze elkaar de nacht in. Met mijn hoofd in mijn handen luisterde ik de volgende ochtend hoe Hugo alles nauwgezet afspeelde en ik bloosde. Ik had geen vriendjes om mijn verlangens mee te delen, dus vertelde ik aan Hugo steeds opnieuw wat ik van Hugo had gehoord, en ik schreef het duizend keer neer op gelijnd muziekpapier, terwijl de muren dichter kwamen naarmate mijn zinnen langer werden en ik naar adem begon te happen.  Mijn papegaaikip viel flauw toen de smalle deur open waaide. Mijn vader.

A/ WA DOEDE GIJ NU ?

B/ WIE ZIJT GIJ?

C/ WAAROM DROMEN WIJ?

samen: DE STEEN, DE AREND en DE PAPEGAAI

A/ aan het venster

Dromen over kiekens. Dromen over vliegen en plots niet meer. Gekortwiekt, in een kamertje waar ik rondjes liep zonder stoppen. Wit als in de hemel, en alle keuzes worden voor mij gemaakt. Ik kies er alleen voor om het eten dat ze op vrijdag onder mijn deur schuiven over de rubberen muren te smeren en te gieren van het lachen. Gebraden kip, gij zult mijn maag niet vervuilen. Gij zult uw doodheid niet in mij steken, uw bruin geblakerde doodsheid. Vergeet dat maar. Zo, helemaal onder het mom van vrijheid. Vergeet dat maar. Op twaalf april heb ik mijn tong afgesneden met het witte ziekenhuismes en het als een steen op een bord de gang in geschoven. Ik hoorde aderen zwellen in de zinderende stilte, het klateren van vocht tussen mijn benen. De deur waaide open. Ik moet weg, ik moet weg, en weg was ik, als een steen in het water, maar ik zwom niet. Ik zonk.

 (begint heen en weer te lopen, samen met C)

B/ in het midden

Ik had mijn kieken dan toch gevangen. Toen ik naar de markt wandelde, lonkte ze vanonder haar wenkbrauwen. Het donkerbruin deed me smachten, en vijf prachtige nachten later, kwam ze terug van de dokter met een hand op haar buik. Schuldig. De schuldige vrucht. Een kippetje met een eitje. En wat in haar groeide, groeide als een arend in mij. Daar was hij terug. En het nestje dat we bouwden, wilde ik gisteren verwoesten, wilde ik vandaag koesteren, zal ik morgen verlaten, want ik wil weg. Ik moet hier weg. De grenzen over, naar de Amerikaanse woestijn, waar ik een nomadische jager kan zijn. Die stilstand, dat graag zien, dat is veilig, maar het maakt me doosbenauwd. Ik moest kotsen. Ik nam een aanloop. Ik vloog zeven seconden lang en viel toen te pletter op de kasseien van de Kerkstraat.

C/ loopt rond

Ik lag plots in een bed. Een flamingo zonder poten, bont en blauw met roze vlekken op mijn buik. Er werden dingen gefluisterd over dode papegaaien die op kippen leken, over mijn ouders ook, en iemand streek nu en dan met een zachte hand over mijn haar. Ik hoorde het kraaien van een haan, drie keer hoorde ik het, als in dat boek, en ik wist dat ik hier niet kon blijven. Het kraaien werd door echo verdubbeld, verdrievoudigd, verduizendvoudigd en sloeg op mijn trommelvliezen met de scherpe, kromme snavel van een papegaai. Hij leefde nog. Hugo. Ik wou het opschrijven. Ik kon hier niet blijven, ik moet weg. Maar hij pikte en pikte en doorzeefde me met zijn stem, filterde mijn bloed met hemels gezang, tot ik schreeuwend klaarkwam en nog net zag hoe er iets verdachts door mijn infuus druppelde.

Dit bericht is geplaatst in Theater. Bookmark de permalink.